Soldatenprotest 1966 - 1984

door Henk Spaan



Hoofdstuk I. Het ontstaan van de VVDM

- De oprichting
- Het eerste jaar
- Radicalisering
- De jaren zeventig


De oprichting

De VVDM, de Vereniging van Dienstplichtige Militairen, werd opgericht in augustus 1966. In het voorjaar waren de politieke spanningen in Nederland opgelopen rondom het huwelijk van prinses Beatrix en Claus von Amsberg en daarna in juni door rellen tijdens een staking van bouwvakkers, waarbij het gebouw van de Telegraaf werd bestormd.
Niet alleen de VVDM werd in die zomer opgericht, maar ook de aktiegroep "Nieuw Links" in de PvdA en de nieuwe politieke partij D'66, terwijl in september de studenten voor het eerst massaal de staat op gingen om te protesteren tegen bezuinigingen op de studiebeurzen. Het was een tijd van politieke veranderingen.
De aanleiding voor de oprichting van de VVDM was een straf van vijf dagen verzwaard arrest, die een soldaat van de Beeckmankazerne in Ede op 20 juli 1966 kreeg omdat hij zich bij het appèl niet correct gedroeg en het appel "maar een lachwekkende vertoning" noemde. 1
Twee jongens uit het peloton, Wim Loendersloot en Leo Kramer, waren verontwaardigd en concludeerden dat soldaten een vakbond nodig hebben. Zij bespraken dit met kamergenoot Loebas Oosterbeek die, eigenlijk tot hun verbazing, enthousiast was, en vervolgens ook met anderen. Oosterbeeks roepnaam was Loebas maar in de VVDM koos hij voor zijn officiële naam Huub en zo zal hij in deze geschiedschrijving verder heten.
Over de volgende dag schreef Huub Oosterbeek vijf jaar later (op basis van aantekeningen die hij in het eerste jaar regelmatig bijhield):

's Morgens les voorlichting van Luitenant Kamphorst. Op zijn vraag waarover we het zouden hebben opperde iemand: "De bond", waarop luitenant Kamphorst verbaasd vroeg wie daar iets over wilde zeggen. Mijn naam werd genoemd, maar meer dan de naam B.V.D.S. kon ik niet zeggen. Niemand had nog enig concreet idee. Tijdens deze les voorlichting werd gediscussieerd wat een eventueel bestaande "Bond Voor Dienstplichtige Soldaten" zou kunnen doen. We kwamen hier tot tien punten die aangepakt zouden kunnen worden, en tot de afspraak er 's avonds verder over te spreken. Deze bijeenkomst werd 's avonds gehouden in lokaal 40 van het gebouw van de D-compagnie. Van de naam B.V.D.S. werd afgezien, omdat een verenigingsvorm beter leek en om moeilijkheden te voorkomen met dienstplichtige huzaren, kanonniers, marechaussees enzovoort. De naam "Vereniging Van Dienstplichtige Militairen" werd gekozen, met de initialen V.V.D.M..

Op de vergadering die avond waren negentien soldaten aanwezig plus sergeant de Jong, evenals luitenant Kamphorst voorstander van een vakbond voor soldaten.
Het idee om een vakbond op te richten was niet bijzonder, net zo min als het voorval dat aanleiding ertoe was geweest. Zonder twijfel waren dienstplichtigen eerder op zo'n idee gekomen, maar zij waren nooit tot daadwerkelijke oprichting overgegaan. Zonder het enthousiasme van verschillende mensen tegelijkertijd zou de VVDM niet van de grond gekomen zijn.

In hoeverre luitenant Kamphorst en sergeant De Jong reeds geestelijk "klaargestoomd" waren een VVDM te stimuleren is mij niet bekend. Het is mij wel bekend dat deze twee personen, nadat ze hoorden van ons idee een vakbond voor soldaten op te richten, onmiddellijk er bovenop gesprongen zijn en het idee hebben gestimuleerd. Was dit niet gebeurd, dan was de VVDM waarschijnlijk toentertijd niet opgericht. 2

In het eerste gesprek met de compagniescommandant (C.C.), kapitein Den Hartog, bleek dat deze er niets in zag. Dat was geen belemmering omdat anderen wél enthousiast waren. Ook bataljonscommandant overste Slager en de kazernecommandant kolonel Mohr waren positief. De eerste vergadering koos een voorlopig bestuur met drie leden: Kramer, Loendersloot en Oosterbeek. De lijst met verlangens werd anderhalve week later nogmaals besproken en zo kwam op een vergadering op maandag 1 augustus een werkprogramma tot stand met negentien punten.
1. Straf alleen op bewijs.
2. Afschaffen streng arrest.
3. Bewegingsvrijheid tijdens weekend veranderen in verlof.
4. Groeten alleen kader eigen compagnie (batterij of squadron), en indien een mindere zich
bij een meerdere vervoegt. Afschaffen groetplicht buiten de kazerne.
5. Belastingvrije cadi-artikelen (gelimiteerd). 3
6. Stemrecht voor militairen.
7. Afschaffen lijst verboden boeken.
8. Ongegrond in arrest geweest moet worden gecompenseerd.
9. Afschaffen reveille om 6.00 uur. Aantreden 7.45 uur. Cafetaria open 6.30 uur - 7.30 uur.
10. Afschaffen compagniescorvee.
11. Na diensturen in burger.
12. Geen avondappèl, maar bijvoorbeeld penningsysteem.
13. Laatste drie maanden specialisten effectief. 4
14. Koper vervangen of niet meer poetsen.
15. Na iedere twee maanden opleiding twee à drie dagen buitengewoon verlof.
16. Niet met militaire treinen reizen.
17. Meer gevarieerde sport. Meer zwemmen. Meer douchegelegenheid.
18. Ieder een eigen plate. Uitbreiden spoelmogelijkheden.
19. Wastafels bij de toiletten. 5

Veel van deze verlangens zijn inmiddels ingewilligd. Ondanks de tamelijk radicale inhoud was de lijst achteraf gezien realistisch. Dat de oprichters zo trefzeker een lijst verlangens konden opstellen, is een teken dat de tijd rijp was voor veranderingen.
Twee weken na het begin, op 4 augustus 1966, vond de oprichting van de VVDM plaats. Er waren 23 dienstplichtigen aanwezig plus sergeant de Jong en een sergeant-majoor.

Het is een vaststaand feit dat ik op 4 augustus om 21.25 uur met mijn vuist op de lessenaar van lokaal 40 in gebouw E van de Delta-compagnie sloeg, daarbij zeggend: "En hierbij richt de vergadering de Vereniging van Dienstplichtige Militairen op". Dit nadat we gezamenlijk hadden uitgevonden dat dit mogelijk was, bovendien een recht, vastgelegd in de "Universele verklaring van de rechten van de mens". Het militaire verbod hierop was niet van toepassing, er was een schriftelijke toestemming voor het houden van de oprichtingsvergadering van de bataljonscommandant aanwezig. 6

De vergadering koos een bestuur van zes personen, Kramer, Loendersloot, Oosterbeek, Pennekamp, Merks en de Bruin. Dit bestuur zou vier weken aanblijven, tot het moment dat de opleidingstijd van de oprichters zou zijn afgelopen en ieder zou worden overgeplaatst naar de parate bestemming.
In een gesprek van Oosterbeek met overste Slager na de oprichting bleek dat niet alle bestuursleden geschikt werden bevonden voor hun functie. De overste gaf toestemming om leden te werven op de Elias Beeckmankazerne en op de ernaast gelegen Stevinkazerne. Hij wilde meewerken aan het opstellen van een rekest aan de minister om ook landelijk activiteiten te mogen ontplooien, maar vond dat de VVDM voorzichtig moest zijn met de samenstelling van het bestuur.
Op maandag sprak Oosterbeek daarover met de 'twijfelgevallen' Kramer en Loendersloot, die beiden sympathiseerden met de PSP.

Hierover heb ik lange gesprekken gevoerd met Loendersloot en Kramer en vele geruchten deden de ronde. Hierover is echter niets vastgelegd, in mijn aantekeningen staat alleen dat "bleek dat Loendersloot en Kramer anti-militaire gedachten hadden die ze via de vereniging naar voren wilden brengen. Ik stelde toen dat lieden met een anti-militaire houding uit het bestuur geweerd moesten worden".

In een onderzoek naar het ontstaan van de VVDM van Peter van der Eerden uit 1983 blijkt dat het eerste bestuur in onderlinge overeenstemming uiteenging, zoals ook Oosterbeek in 1971 vermeldde.

Loendersloot en Kramer meenden toen ook in te zien dat een VVDM met anti-militaristen in het hoofdbestuur geen kans van slagen zou hebben vanwege ingrijpen van de legerleiding. Loendersloot trok zich toen terug, hetgeen officieel "vrijwillig" heet, en met Kramer kwam ik overeen dat hij zou blijven tot de vier weken om waren; hij was toen al een cursus begonnen en had geen tijd voor ledenwerving of andere verenigingswerken. Het conflict tussen Loendersloot en Kramer enerzijds en mij anderzijds is echter altijd beperkt gebleven tot de ideologie, op persoonlijk vlak was er geen enkel conflict. 7

De Bruin trok zich net als Loendersloot terug op 8 augustus, en toen op 1 september Oosterbeek twee vervangers gevonden had, Peter Schönhage en John Lambrechts, trok ook Merks zich terug omdat hij geen zin meer had in bestuurlijke activiteiten. Twee weken later werden de bestuursleden overgeplaatst naar hun parate bestemming en daarbij zorgde de commandant ervoor dat zij tezamen op één kazerne terechtkwamen, op de Wittenbergkazerne in Garderen op de Veluwe.
De Beeckmankazerne is een opleidingskazerne waar dienstplichtigen de eerste maanden van hun diensttijd doorbrengen. De oprichters van de VVDM waren van lichting 66-1 en hadden dus een relatief lange opleiding achter de rug. 8 Bestuurslid Pennekamp was van een latere lichting en werd niet overgeplaatst naar de Wittenberg. Daarbij speelde overigens ook mee dat hij enkele conflicten had gekregen met Oosterbeek in de week dat de VVDM plotseling in de publiciteit kwam, begin september. Pennekamp verdween uit het bestuur. Van de zes leden van het eerste bestuur waren er half september vijf vertrokken en de overblijvende Oosterbeek ging met de twee nieuwe bestuursleden naar de Wittenberg.
Peter van Eerden sprak voor zijn onderzoek met Oosterbeek en daarbij viel het woord manipulatie:

Bijna gretig gaat hij daarop in: "Ik wil me daar ook achteraf niet voor verontschuldigen. Zeker, in het begin heb ik de zaak wat gemanipuleerd, maar het was noodzakelijk. Nee, dat was bepaald niet democratisch, maar wat moest ik? Het goede doel rechtvaardigde de middelen. 9

Van Eerden sprak ook met kolonel Mohr, onder andere over de samenstelling van het bestuur:

Daar is over gesproken. Niet zozeer over concrete personen maar wel over het soort jongens dat er deel van zouden uitmaken. Toen ik daarover gerustgesteld was, zijn ze ook gezamenlijk overgeplaatst. Want wilde de zaak van de grond komen dan moesten ze in dat stadium natuurlijk wel bij elkaar blijven. 10

De eerste maand besteedde het bestuur vooral aan het opstellen van een rekest aan de minister en aan het maken van een ledenwervingsstencil, dat zij op 25 augustus op de Beeckmankazerne verspreidden.
Het rekest aan de minister had nogal wat voeten in aarde en was nog niet verstuurd, toen de oprichting van de VVDM plotseling in de publiciteit kwam. Het bestuur had beloofd om de pers niet in te lichten voordat het ministerie op de hoogte was gesteld, maar op de een of andere manier was een van de duizend uitgedeelde stencils bij het Algemeen Dagblad terechtgekomen. Het is nooit opgehelderd wie daarvoor verantwoordelijk was.

Zondagavond 4 september, vlak voordat ik naar Ede terug zou gaan, werd ik thuis opgebeld door een redacteur van het Algemeen Dagblad. Hij had een van de stencils, ging dat publiceren en vroeg verdere gegevens. Gezien mijn verbod de pers in te lichten kon ik geen commentaar geven. 11

De volgende morgen stond een bericht van de oprichting van de VVDM in het Algemeen Dagblad, en ontstond hierover de nodige opwinding.

De eerste les was juist begonnen toen kapitein Den Hartog opbelde dat ik onmiddellijk bij kolonel Mohr moest komen. Deze was hoogst verbaasd dat het in de krant stond, ik verzekerde hem het stencil niet in handen van de pers gespeeld te hebben. Er werden onmiddellijk, naar hij zei, telegrammen en telexen heen en weer gestuurd tussen het ministerie en hem; ik kreeg totale zwijgplicht opgelegd.

De golf van publiciteit was echter niet te stoppen met een zwijgplicht.

Om 14.30 uur moest ik weer terug naar de Beeckmankazerne vanuit de les; van luitenant de Boer kreeg ik officieel toestemming om publiciteit te maken. Hij zei dat deze toestemming door het ministerie in Den Haag gegeven was. Alle telefoontjes van journalisten stond ik zoveel mogelijk te woord. Na het einde van de dienst om 17.45 uur zou ik ze mogen ontvangen in de kamer van de welzijnszorg-officier. De hele verdere middag werd er gebeld en om kwart voor zes stond een rij journalisten en fotografen te wachten. Tot ongeveer negen uur 's avonds heb ik in drie groepen de pers te woord gestaan. De gehele week was ik met niets anders bezig dan de steeds maar opdravende pers te woord te staan.

Het is niet bekend in hoeverre overste Slager en kolonel Mohr voor 5 september met collega's of met superieuren gesproken hebben over de VVDM. De oprichting van de VVDM was geen alledaags verschijnsel, dus het is aannemelijk dat erover gesproken is. Uit het onderzoek van van Eerden blijkt echter vrij overtuigend dat de verantwoordelijke personen op het ministerie op 5 september nog niets wisten, en misschien hebben Mohr en Slager er alleen over gesproken met bevriende officieren of generaals, en werd voor de zekerheid geen contact opgenomen met de "Haagse generaals", van wie gezegd werd dat zij op dat moment veranderingen in het leger blokkeerden.
Door de plotselinge publiciteit werd het ministerie voor het blok gezet. De VVDM was opgericht en het was onmogelijk geworden de zaak nog in de kiem te smoren. Het ministerie bleek overigens niet ongelukkig te zijn met de VVDM. Nadat vanuit het ministerie contact was opgenomen met kolonel Mohr was men gerustgesteld.

Defensie heeft geen bezwaar als er in de kazernes, maar dan buiten de diensturen, activiteiten van de vereniging plaatsvinden; tot zover het officiële commentaar. Wie het huidige klimaat op Defensie kent, kan hier aan toevoegen, dat ook op dit niveau van een zekere welwillendheid en bepaald niet van ongenoegen over het initiatief sprake is.

Aldus luidde een bericht in de Haagse krant op 10 september.
De publiciteit maakte de VVDM ook op andere kazernes bekend en binnen een week kwamen tientallen reacties binnen van mensen die lid wilden worden of een afdeling wilden oprichten en alvast begonnen waren leden te werven. Na vier weken meldde Oosterbeek een aantal sympathisanten van 1600. Maar deze spontane aanmeldingen waren nog niet meteen ingeschreven als lid. Zo bleken er op 31 november nog slechts 88 betalende leden te zijn (lidmaatschap f2,50). In februari 1967 sprak Oosterbeek in een interview met het Limburgs Dagblad over 2000 leden, maar dat waren er nog slechts 1200.
In de eerste week van september meldden zich ook enkele mensen die aktief wilden meewerken, en aangezien Oosterbeek bekwame medewerkers goed kon gebruiken, kwam er in feite een nieuw bestuur tot stand. Lambrechts, Oosterbeek en Schönhage waren op 15 september overgeplaatst en op 3 oktober trad Simon Stijkel officieel toe tot het bestuur door middel van een schriftelijke verklaring. Oosterbeek was de enige die door de oprichtingsvergadering gekozen was, als gewoon bestuurslid, niet als voorzitter.
Stijkel was direct na het lezen van de eerste kranteberichten naar Ede gegaan, waar hij ook zijn opleiding had gehad, en waar hij nog een "Compagniesfonds D-compagnie" had opgericht ruim acht maanden voor de oprichting van de VVDM. Dit compagniesfonds was een fonds waaraan soldaten een kleine contributie betaalden om de legeringskamers op te fleuren met een radio, affiches, planten en dergelijke.
Co Makkink was de tweede die toetrad tot het bestuur, zij het niet officieel, omdat hij dienstplichtig vaandrig was. Door zijn rang van onderofficier kon hij geen lid worden van de VVDM; dat werd pas veel later mogelijk. Co Makkink werd "juridisch adviseur" en woonde als zodanig de bestuursvergaderingen bij. Makkink had rechten gestudeerd en kwam net als Stijkel uit een academisch milieu (Oosterbeek niet). Met die achtergrond gingen Stijkel en Makkink al snel een belangrijke rol in het bestuur spelen.


Het eerste jaar

Contacten met andere kazernes bleven in het eerste jaar beperkt omdat het bestuur niet veel tijd had. De leden van het bestuur moesten de contacten met het ministerie, de pers en met andere organisaties onderhouden. Er waren nog maar weinig mensen in het bestuur en ze moesten ook hun gewone diensten draaien.
De commandant op het nieuwe onderdeel in de Wittenberg, majoor Backbier garandeerde volledige medewerking en met name Oosterbeek kon onbeperkt verlof krijgen voor VVDM-activiteiten. Backbier kreeg daarin op zijn beurt dekking van de hoogste bevelhebber van de Nederlandse parate troepen, luitenant-generaal van Hootegem.
Ook de minister gaf medewerking aan de VVDM. In een brief aan alle commandanten verklaarde hij op 9 december:

In verband met enige daarover aan mij gestelde vragen deel ik U mede, dat met betrekking tot de bevestiging van aankondigingen van de Vereniging van Dienstplichtige Militairen, dezelfde regels dienen te worden gevolgd als gelden voor de verenigingen van het militaire beroeps- en reservepersoneel. 12

Zijn activiteiten voor de VVDM maakten het Oosterbeek op zijn onderdeel niet gemakkelijker. De andere dienstplichtigen zagen hem weinig en verweten hem dat hij heulde met de "legerleiding". Oosterbeek klaagde erover dat de verhouding niet altijd prettig was. Als compensatie voor zijn regelmatige afwezigheid werd hij enkele malen in de wasbak gegooid. 13
Lambrechts en Schönhage waren minder ambitieus en onttrokken zich minder aan de gewone dienst.

Peter en John lieten onder vrijwel alle omstandigheden het dienstbelang prevaleren boven het VVDM-belang. Zij hadden mijns inziens onvoldoende gezorgd een dusdanige functie te krijgen dat het dienstbelang gemakkelijk op de achtergrond kon worden geplaatst. Mijn CC, majoor Backbier, van wie ik persoonlijk veel mentale steun heb ondervonden, stond onvoorwaardelijk achter mij. Als ik het nodig vond, kon ik Peter en John van hun diensttaak afhouden en werk voor de VVDM opdragen. 14

Oosterbeek zette zich fanatiek in voor de VVDM en pleitte voor een positieve opstelling van de dienstplichtigen. Lambrechts en Schönhage hadden die neiging minder en in de aantekeningen van Oosterbeek vinden we dat Schönhage hem op een bepaald moment "een vuile dienstklopper" noemde. Toch waren de onderlinge verhoudingen tussen Oosterbeek, Schönhage en Lambrechts over het algemeen vriendschappelijk.
Een verschil van mening binnen het bestuur ontstond in februari 1967 naar aanleiding van contacten met de vakbeweging. Omdat de contributie laag was en het bestuur niet wist hoe het de continuïteit van de VVDM kon garanderen, kwam samenwerking met de vakbeweging ter sprake. Simon Stijkel was inmiddels op 11 januari afgezwaaid. Hij bleef tot de ledenvergadering in juni in het bestuur, maar zijn afzwaaien maakte duidelijk dat er in de toekomst problemen zouden ontstaan. De VVDM zou misschien vaste krachten nodig hebben en het bestuur dacht dat samenwerking met de vakbeweging een uitkomst kon bieden. Stijkel stelde voor om vakbondsleden automatisch lid van de VVDM te maken en dat de vakbonden garant zouden staan voor een sluitende begroting. Om een te grote invloed van de vakbonden te vermijden, zou de de VVDM vetorecht krijgen. 15
Het ministerie wilde dit niet. Op dinsdag 13 februari zouden Oosterbeek en Stijkel een bespreking hebben op het ministerie over afschaffing van het koperpoetsen . De donderdag ervóór kreeg Oosterbeek het bericht dat Stijkel de volgende week niet op het ministerie hoefde te komen. Dat was niet gebruikelijk en het was een probleem omdat altijd twee personen naar belangrijke besprekingen gingen. Stijkel hoefde niet te komen, en er moest een vervanger komen. In de aantekeningen van Oosterbeek staat bij 12 februari:

Om 20.30 uur belde Peter. Hij moest vandaag in paniek op rapport CC;17 kreeg de mededeling dat hij morgen mee moest gaan naar admiraal van Karnebeek; of John ook mee moest wist hij niet. Hij was enthousiast en bereid om morgen mee te gaan naar bestuursvergadering te Utrecht.

Oosterbeek belde vervolgens Stijkel op om te zeggen dat deze niet mee hoefde. Deze was het er niet mee eens, maar werd zo toch afgeschud. De volgende dag bleek het gesprek niet te gaan over het koperpoetsen, maar over de koninklijke goedkeuring die nog steeds niet was gekomen, en over de statuten van de vereniging. Generaal van Karnebeek, de voorzitter van de personeelsraad, was bij de bespreking aanwezig.

De admiraal liet duidelijk blijken dat, indien wij los blijven van vakbonden en politieke partijen, er meer te bereiken zal zijn, en op een gemoedelijker basis. De statuten zijn besproken; bezwaar was er niet, wel enkele "vaderlijke" vermaningen. 18

Oosterbeek had de subtiele boodschap van van Karnebeek begrepen. De goedkeuring van de statuten was voorwaardelijk.

Het betoog van de admiraal kwam in feite neer op een ernstige waarschuwing onze onafhankelijkheid niet prijs te geven. 19

Dezelfde avond was er een bestuursvergadering in Utrecht en daar ontstond ruzie.

Simon verwierp mijn agenda als niet deugende. Hij had er zelf een gemaakt, een vodje papier waar geen essentieel verschil in zat. (..) Simon katte mij af, wilde komen tot zo groot mogelijke samenwerking met NVV, NKV en CNV. Ik was minder enthousiast.

Oosterbeek trok een harde conclusie:

Ik heb besloten mij niet meer als bestuurslid herkiesbaar te stellen, aangezien ik mij niet kan verenigen met een zo ver gaande samenwerking met de vakbonden.

Twee dagen later liep de ruzie nog verder op.

Om 12.14 uur verbood Simon mij door de telefoon met iemand over de verhouding vakbond - VVDM te spreken; ik verklaarde dit verbod nietig met het motief dat hij zo'n verbod niet aan mij kan opleggen. Hij verweerde zich dat drie kwart van het bestuur achter hem staat. Ik verbood hem iedere zelfstandige aktie. Hij zei dat ik dat niet kon doen en gooide de hoorn op de haak. 20

De CNV en NKV bleken vervolgens niet enthousiast voor samenwerking met de VVDM en door de ruzie was het enthousiasme binnen het bestuur uiteraard ook gedaald. De samenwerking met de vakbonden was daardoor snel van de baan. Enkele weken later kreeg Oosterbeek een volledige vrijstelling van dienst voor het werk van de vereniging en in het najaar kreeg ook de secretaris een vrijstelling. Het was een aantrekkelijk alternatief voor samenwerking met de vakbeweging, omdat de VVDM meer continuïteit kreeg en haar zelfstandigheid behield. Dat was de wens van het ministerie en niet ongunstig voor de VVDM.

Afschaffing van het koperpoetsen was het eerste succes dat de VVDM op 1 juli 1967 boekte. Dat zou mogelijk worden door een laagje plastic aan te brengen over koperen onderdelen van het uniform. De VVDM had daartoe, overigens in samenwerking met het ministerie, het initiatief genomen. Ongeveer tegelijkertijd werden de reveille en het avondappèl met een half uur verschoven, van zes uur naar half zeven en van half elf naar elf uur, en er werd een begin gemaakt met het afschaffen van de militaire treinen.21
Op 1 januari 1967 al was de soldij, een beloning van f2,50 per dag minus 60 cent kledinggeld, veranderd in een maandelijkse wedde, wat erop neer kwam dat de dienstplichtigen voortaan 115 gulden per maand in handen kregen in plaats van 65 gulden. De wedde ging 208 gulden bedragen, waarvan 93 gulden werd afgetrokken als inhouding voor huisvesting en voeding (IHV). Het besluit daartoe was echter al genomen vóór de oprichting van de VVDM, dus de VVDM kon dit niet opeisen als een van haar successen.
In januari had het bestuur ook een rekest ingediend om na diensttijd in burger te mogen lopen. Met medeweten van het ministerie was door Oosterbeek en een andere dienstplichtige een incident uitgelokt bij een nachtclub in Apeldoorn, waar dienstplichtigen in uniform niet werden toegelaten. De twee belden aan, mochten niet naar binnen en maakten daarover een rapport. Naar aanleiding van dit rekest werd het dragen van burgerkleding na diensttijd toegestaan, ook al duurde het nog tot juni 1968 voordat het zover was.
Uit een artikel in Twintig nummer 2 in juni 1967 blijkt dat veranderingen door een deel van het kader werden toegejuicht. Het artikel was geschreven door majoor W. van der Veer, voorlichtingsofficier, die had gesproken met dienstplichtigen en kaderleden over de groetplicht en met name over de groetplicht binnen gebouwen, het halt-en-front-maken.

Zij verafschuwen het gewoonweg en trachten het, meer nog dan de militaire groet, op alle mogelijke manieren te saboteren door bijvoorbeeld het toilet in te schieten of gewoon een of andere deur in te lopen. Zij ondergaan het zo vernederend dat geen moeite teveel wordt geacht om eraan te ontkomen.

Ook kaderleden hadden er moeite mee.

Dit soort disciplinaire "sabotage" wordt eenvoudig getolereerd omdat zij gevoelsmatig evenzeer met het probleem zitten als de soldaten, ook al staan zij aan de andere kant van de gang. Uitlatingen als (letterlijke aangetekend) "Ik wordt er verlegen van wanneer zij tegen de muur geplakt staan", "Ik weet mijzelf dan nauwelijks een houding te geven" of "Ik schaam me kapot" waren schering en inslag.

Dit maakt duidelijk wat er aan het veranderen was. Van der Veer was van mening dat de huidige soldaat "een ander menstype" was, "die totaal anders denkt over allerlei dingen dan zijn vooroorlogse wapenbroeder". Het menstype in 1935 verschilde waarschijnlijk niet veel van het menstype in 1967. Het halt-en-front-maken was zinloos geworden, omdat dwang en discipline minder belangrijk waren geworden. De maatschappelijke tegenstellingen tussen arbeiders en kapitalisten en tussen stad en platteland waren in de loop van de twintigste eeuw minder scherp geworden, onder andere door tegemoetkomingen aan de eisen van de arbeidersbeweging na de eerste en na de tweede wereldoorlog. In 1967 was het halt-en-front-maken een absurditeit geworden; zelfs het kader begon te vergeten wat het nut ervan geweest was. Natuurlijk wilde een deel van het kader vasthouden aan de oude regels uit een hang naar het verleden en zeker was druk van de VVDM nodig om veranderingen te bewerkstelligen, maar vroeg of laat waren veranderingen onvermijdelijk. De VVDM versnelde dat proces. In het voorjaar van 1968 werd het halt-en-front-maken afgeschaft.
Het opzetten van het ledenblad "Twintig" kostte het bestuur in het voorjaar van 1967 veel tijd. Het blad ging heten naar de gemiddelde leeftijd van dienstplichtigen, als variant op de naam van het progressieve Duitse jongerenblad "Twen".
Eind april verscheen de eerste Twintig met een rel. Een onafhankelijk bureau verzorgde de advertenties en had zijn best gedaan om advertenties van maatschappijkritische en pacifistische groepen te werven. Het bestuur schrok van het resultaat en nam contact op met Muiderman, de vaste contactpersoon van de VVDM op het ministerie. Het bestuur wilde de Twintig opnieuw laten drukken, maar de drukker weigerde dit en het bestuur moest zich in een inlegvel distantiëren van de inhoud van de advertenties.
Met de Twintig kon de VVDM zich aan potentiële nieuwe leden presenteren en ontstond een duidelijker verbinding tussen bestuur en de leden. In de eerste nummers overheersten artikelen over muziek, mode en auto's, verluchtigd met af en toe een blote borst, omdat men oorspronkelijk ook voor niet-dienstplichtigen aantrekkelijk wilde zijn. Die pretentie liet men in 1968 vallen en daarmee won Twintig aan betekenis voor de VVDM.

Toen de oprichting van de VVDM landelijk bekend werd, meldden zich veel dienstplichtigen die een afdeling wilden oprichten. Maar het bestuur was voorzichtig en wilde eerst weten wat voor vlees het in de kuip had. In een toelichting bij de ontwerp-statuten schreef het bestuur daarover:

In de tweede plaats is het bestuur der vereniging zich ten volle bewust van het feit, dat haar inspanning, voor een goed deel gericht op het overleg met de militaire autoriteiten, slechts succes kan hebben, indien iedere anti-militaristische invloed wordt vermeden. Dit heeft geleid tot een grote bestuursmacht inzake het toelaten van leden en het benoemen en schorsen van afdelingsbesturen. 22

Oosterbeek schreef aan iemand die op Ypenburg een afdeling wilde oprichten:

Als er iets op de vliegbasis is, waar volgens jou de VVDM iets aan kan doen (slecht eten bijvoorbeeld), wil ik weten wat dat is, aangezien voor iedere daad namens de VVDM het hoofdbestuur medeverantwoordelijk is. Kijk goed uit wie je in het afdelingsbestuur zet, geen provo, communist, of PSP-er; zij kunnen WEL lid van de vereniging, doch NIET van het bestuur worden. Je begrijpt wel waarom.

De opbouw van afdelingen kwam daardoor moeizaam op gang. De eerste twee afdelingen ontstonden in de Wittenberg, waar drie bestuursleden zaten, en in Ermelo waar Stijkel zat en waar ook enkele anderen behulpzaam waren bij het VVDM-werk. Van de zeven bestuursleden die op de ledenvergadering in juni 1967 gekozen werden, kwamen er twee uit de Wittenberg en drie uit Ermelo.
Het bestuur had onvoldoende tijd om mensen te zoeken die een afdeling zelfstandig konden laten draaien. Eenmaal gelegde contacten verdwenen weer door overplaatsing, afzwaaien of door het verdwijnen van enthousiasme. Met name op opleidingskazernes kwamen de bestuursleden het regelmatigst voor ledenwerving, maar de daar gelegde contacten waren ook het snelst weer naar elders verdwenen.
In het Limburg Dagblad klaagde Oosterbeek in februari 1967 dan ook dat slechts 20 à 30 mensen in de VVDM echt aktief waren, en later schreef hij:

Zodra we iemand vonden die wél inspraak in het beleid wilde hebben, waren wij de koning te rijk en hij kwam dan direct in aanmerking voor een functie in een afdelingsbestuur of in het hoofdbestuur. 23

Het bestuur wilde een tournee te maken langs de afdelingen, maar door de drukte kwam er niet veel van terecht. In het voorjaar van 1967 bleven afdelingen een marginale rol spelen. Het enige tastbare in de afdelingen was het eerste nummer van Twintig. Pas eind juni 1967 vond de eerste ledenvergadering plaats.
Toch groeide het ledenaantal geleidelijk. Op die eerste vergadering waren er 3250 leden en 21 afdelingen. Op de volgende ledenvergadering vijf maanden later was het ledental ongeveer 5000. De afdelingen groeiden in aantal en in omvang en daarmee ook het ongeduld. Afdelingsbesturen of individuele dienstplichtigen die om inlichtingen vroegen of om materiaal om leden mee te werven, kregen geen antwoord.

Gezegd moet nog worden, dat ik op een verzoek Uwerzijds om de VVDM te steunen met het werven van nieuwe leden, altijd zal ingaan, maar dat ik toch echt wel eerst een iets van U moet vernemen.

Dit schreef iemand in een brief aan het bestuur. Het afdelingsbestuur van de Bergansiuskazerne in Ede schreef geïrriteerd:

Wij hebben reeds verschillende brieven naar het hoofdbestuur gezonden, echter een antwoord hierop, of maar een kennisgeving van ontvangst, hebben wij nog geen enkele keer gehad. Wij begrijpen wel dat U het erg druk heeft, maar voor een kennisgeving van ontvangst heeft U, dachten wij, nog wel de tijd.

Over deze periode schreef Pieter Pennekamp, lid van het eerste VVDM-bestuur, die op Schaarsbergen terechtkwam, in januari 1968:

De communicatieproblemen die we in de eerste fase nog vaag zagen, tekenden zich nu scherp voor mij af. Ik correspondeerde toen met Oosterbeek maar moest na iedere brief wekenlang wachten op antwoord. Bij elkaar heb ik twee of drie brieven van Oosterbeek mogen ontvangen in een heel jaar. Je begrijpt dat ik op die basis weinig kon uitvoeren. Mijn werk heeft voornamelijk bestaan uit het voorlichten van geïnteresseerden en het doorsturen naar het HB voor eventueel lidmaatschap. Uiteraard begrijp ik dat Oosterbeek het enorm druk had, maar als nu achteraf blijkt dat jullie niets afwisten van de afdeling Schaarsbergen, ga ik toch wel vreemde dingen denken.


De afdelingen werden ongeduldig. Zo deed in Ede het afdelingsbestuur mee aan de eerste aktie in het bestaan van de VVDM. De soldaten hadden massaal een klacht ingediend over de kwaliteit van het eten. Op woensdag 21 juni 1967 besloten zij niet te gaan eten.

Iedereen ging naar de eetzaal maar bleef voor de deur staan. "Toespraak" voor de eetzaal van de OKP.24 Hij zei de jongens te kiezen, of te gaan eten, of weg te gaan. Iedereen ging terug naar de batterij. 25

Het afdelingsbestuur had het verzoek mede ondertekend en weigerde ook te gaan eten, maar distantieerde zich later van de aktie, waarschijnlijk uit angst voor maatregelen tegen de VVDM en onder invloed van het hoofdbestuur:

Hierbij verklaart de VVDM dat zij begrip kan opbrengen voor de reactie van de soldaten en kanonniers op het minder goede eten. Zij wijst echter deze in haar ogen provocerende handelwijze af, en aanvaardt in deze geen enkele verantwoordelijkheid.

De boze brief van hetzelfde afdelingsbestuur aan het hoofdbestuur die we hiervoor aanhaalden, maakt aannemelijk dat het afdelingsbestuur eigenlijk een aktiever opstelling van de VVDM wenste.
Het afdelingsbestuur in Havelte drong in een brief aan op een hardere opstelling van de VVDM:

Mogen we U verder, mijnheer de Voorzitter, wijzen op een grote afgang die U de vereniging hebt bezorgd, (..). U had onmiddellijk na het bekend worden van het temporiseren van de tweede ronde van het weddeverhoging, namens het bestuur van de soldatenvakbond, pardon pressiegroep, een krachtig protest moeten laten horen. (..) Ga maar eens met de vakbonden praten over normale arbeidsvoorwaarden, geprojecteerd op de militaire maatschappij. Want voornoemde zaken -verlof, vakantietoeslag etc.- ZIJN normale arbeidsvoorwaarden.

De spanningen binnen de VVDM kwamen ook tot uiting in het derde nummer van Twintig van augustus 1967. Een briefschrijver klaagde dat de VVDM bureaucratisch was en radicaler moest worden. Hij vond dat de VVDM niet langer moest verzoeken, maar moest eisen. Oosterbeek reageerde dat de VVDM zich met een harde opstelling alleen maar in de vingers zou snijden, dat de VVDM links noch rechts was en zich niet moest opstellen als een vakbond. Niettemin werd de schrijver van de brief, Henk van Schuur, in november van dat jaar in het nieuwe bestuur gekozen.
Vanaf augustus kwam er een regelmatig verschijnend informatiebulletin voor de afdelingen. Nummer drie begon als volgt:

Misschien is er hier of daar een klacht dat de correspondentie te laat beantwoord wordt. De nieuwe secretaris is bezig zich in te werken en moet naast zijn functie in de vereniging ook nog zijn volledige dienstfunctie verrichten. Verbetering is in zicht! Onze excuses voor de tot heden voorgekomen stoornissen in de communicatie.

In het volgende nieuwsbulletin wordt nogmaals opgemerkt dat de communicatie tussen bestuur en afdelingen "belazerd slecht" is.
De nieuwe secretaris Hijgemann kreeg vervolgens vrijstelling van dienst voor VVDM-werk en de eerdergenoemde Henk van Schuur zette een net van "districtscoördinatoren" op en organiseerde een tweewekelijkse "DC-werkbespreking", een bespreking met bestuur en deze districtscoördinatoren.

In de tussentijd had Oosterbeek het bestuur verlaten. Lambrechts, Schönhage en Stijkel waren op de ledenvergadering in juni vervangen, maar Oosterbeek was toen nog herkozen als voorzitter. In oktober zou hij afzwaaien en wat daarna zou gebeuren was onzeker. Later werd het regel dat bestuursleden in aktieve dienst moesten zijn, maar dat stond toen nog niet vast. Stijkel zat na zijn afzwaaien bijvoorbeeld nog vijf maanden in het bestuur.
In een interview in juli met Vrij Nederland vertelde Oosterbeek dat hij bereid was na zijn afzwaaien als voorzitter aan te blijven tegen een vergoeding van zeshonderd gulden per maand. Die uitspraak was niet erg serieus, omdat de VVDM zich dat financieel zeker niet kon veroorloven.
Anderen in het bestuur waren het in ieder geval niet eens met het aanblijven van Oosterbeek. Zonder hem was de VVDM waarschijnlijk niet van de grond gekomen, maar hij trad nogal individualistisch op en dat ging zich wreken toen de VVDM-organisatie groeide.
Eind september vond een paleisrevolutie plaats. Marcel Boyer, redacteur van Twintig, schreef op 22 september 1967 een brief aan Oosterbeek met kritiek.

Hopelijk ben je zelf al tot de ontdekking gekomen dat de samenwerking en onderlinge verhoudingen in het bestuur nogal te wensen overlaten. Verschillende oorzaken zijn hiervoor aan te wijzen. Er is nog te weinig lijn in het geheel en de bestuursleden moeten nog aan de sfeer en aan hun werkschema wennen. Maar de hoofdoorzaak is toch te vinden bij het volslagen gebrek aan organisatievermogen en het sublieme gemis aan systematisch werken dat jij ten toon spreidt.

Boyer dreigde met aftreden als er geen verandering zou komen. Op 1 oktober werd deze brief in het bestuur besproken. Oosterbeek verliet boos de vergadering en liet enkele jaren in de VVDM niet meer van zich horen.


Radicalisering

Zo vond de vervanging plaats van het eerste bestuur. De situatie in het najaar van 1967 blijkt uit de bestuursnotulen van oktober:

Hendriks en Bouwman bezoek gebracht aan WGF-kazerne (Harderwijk). Wijzenbeek had net een straf van veertien dagen streng uitgezeten. Hendriks heeft hem op het hart gedrukt dat hij voortaan -in het belang van de VVDM- zoveel mogelijk uit de cel moet zien te blijven. Het afdelingsbestuur WGF heeft goede contacten met het kazernecommando. Het contact met het AB26 was verloren gegaan. Men wist niet meer wat men aan elkaar had. Het contact is hersteld. Verbeteringen door het afdelingsbestuur bereikt, zijn: busdienst, wachtdienst, wachtlokaal, zwemlokaal, afmarsregeling, spoelbakken, specialisten geen kazernediensten meer tijdens de laatste drie maanden van hun diensttijd, eten verbeterd.
Bezoek aan Nunspeet door Bouwman en Hendriks. Was een grote puinhoop. Hadden ook geen contact meer met het AB. Hadden van de militaire autoriteiten het adres van de heer Muiderman opgekregen om te informeren of de VVDM nog in leven was. Gelukkig zijn we er nog tijdig bij geweest om een catastrofe te voorkomen. Smit was zeer enthousiast. De afdeling bestond uit dertig leden. Er is beloofd dat er voor 1 november minstens honderd zullen zijn.

Het nieuwe bestuur ging met frisse moed aan de slag. Men bezocht afdelingen en benaderde commandanten van opleidingskazernes om voorlichting over de VVDM te mogen geven in het eerste weekend dat de rekruten binnen moesten zitten (het zogenaamde bollenweekend).
Over de eerste jaren van de VVDM ontstond later een eenzijdig beeld. Zo zei de eerdergenoemde Henk van Schuur in 1976 dat de meeste bestuursleden gefrustreerd waren omdat ze geen officier konden worden en voornamelijk aktief waren in Den Haag. 27
Ook de Bond Voor Dienstplichtigen schetste over de VVDM van voor 1970 steeds het beeld van studenten in de rechten, die niets van aktievoeren wilden weten. De werkelijkheid was, dat de VVDM en ook het VVDM-bestuur vanaf het begin aanpassing aan de militaire machtsverhoudingen combineerde met verzet ertegen. Ook Huub Oosterbeek, de persoon die meer dan anderen zijn aandacht concentreerde op contacten met het kader en het ministerie, leverde soms in scherpe bewoordingen kritiek op de positie waarin dienstplichtigen zich bevonden. In bepaalde perioden overheersten voorzichtige personen in het bestuur; sommige bestuursleden zullen inderdaad, uit hoofde van hun functie, veel overlegd hebben op het ministerie, maar dat was niet het kenmerk van het bestuur in de eerste jaren.
Dat het bestuur soms voorzichtig was, bleek in november 1967. In de Twintig verscheen een stripje, waarin Pipo de Clown aan zijn vrouw Mamalou een opgeblazen condoom aanbood, met een protest tegen "het schijnheilige gedoe voor de TV". Het bestuur scheurde de bladzijde eruit, maar drukte het in het volgende nummer alsnog af, "om te laten zien dat het maar een kinderachtig stripje was".
De VVDM was zich aan het emanciperen. Kazernecommandanten in Ede en in Amersfoort klaagden dat toespraakjes van VVDM-bestuursleden bij de ledenwerving te vakbondsachtig waren, en in Leiden was de klacht dat bestuurslid Bouwman in burger leden kwam werven.

De tweewekelijkse "DC-werkbespreking" werd vanaf januari 1968 een belangrijke ontmoetingsplaats voor VVDM-ers. Ook afdelingsbestuurders waren welkom, zij hoefden dus niet meer te wachten tot het bestuur naar hun toe kwam. Er kwamen vragen over juridische zaken, over verlof, verzekeringen en beklagmogelijkheden en er ontstonden ideeën voor aktiviteiten. District vier wilde een enquête over kwaliteit van het eten en district twee wilde een districtsblad opzetten om te verspreiden als er geen nieuwe Twintig was. In Zuidlaren verscheen het eerste afdelingsblad in november 1967, "VVDM-flodders".
De DC-werkbespreking was voor de aanwezigen een stimulans om aan het werk te gaan. In maart deed iemand aan Henk van Schuur verslag van zijn pogingen om op de Lunettenkazerne in Vught een afdelingsbestuur te vormen.

Wel, het heeft lang geduurd maar eindelijk na vier weken hard pezen en zoeken heb ik, gelukkig maar, nu enkele goede krachten waarmee ik een behoorlijk afdelingsbestuur kan samenstellen. Eerst had ik mensen die wel geschikt waren, maar niet durfden omdat ze bang waren voor repressaillemaatregelen van CC, plaatsvervangend CC, CSM, of het andere kader. Ik kan me dat best indenken, want het is voor hen niet moeilijk om iemand te benadelen.

Er kwam ook kritiek op het functioneren van het AB. De vergadering klaagde in maart 1968 dat plaats en datum van de volgende ledenvergadering nog niet bekend waren en dat twee ledenvergaderingen per jaar te weinig was.
In het VVDM-archief zijn van de DC-vergaderingen uitgebreide notulen te vinden, maar de notulen van bestuursvergaderingen uit die tijd zijn summier. Afdelingen functioneerden beter en kregen betere onderlinge contacten, maar het bestuur had problemen in het voorjaar van 1968 na een opleving in het najaar van 1967. De financiën leverden problemen op; men worstelde met de verhouding tussen bestuur en de redactie van Twintig. Moest de VVDM vaker vergaderen of juist minder vaak, met meer mensen of met minder. De spanningen kan men ook teruglezen in de Twintig. In maart 1968 schreef iemand in een ingezonden brief:

Er heerst momenteel de indruk dat de eens zo ideale VVDM heerlijk aan het slapen is of een borreltje drinkt met een of andere staatssecretaris of hoge ambtenaar.

De briefschrijver was te hard in zijn oordeel. De VVDM was immers nooit ideaal geweest, en men kan ook zeggen dat de briefschrijver ongelijk had. Want juist op dat moment groeide de invloed van een "linkervleugel" in het bestuur. Henk Beugels, penningmeester vanaf april 1968, schreef enkele jaren later, dat de VVDM in 1968 een koers ging volgen links van het midden.

Deze weg is een reactie op de periode dat Marius Aalders (destijds lid van de CHU en aktief in de CHJO) voorzitter van de VVDM was, van september 1967 tot april 1968. De nieuwe weg ging nog met vele moeilijkheden gepaard, want het artikel van Andries de Jong in de Nieuwe Linie van 7 juli 1968, "Het autoritaire, totalitaire, patriarchale Nederlandse leger", leidde bijna tot een scheuring in het VVDM-bestuur, toen voorzitter Chris van Bockel dreigde heen te gaan. Het geheel had nog een staart, want Henk Hertoghs, destijds een zeer aktieve districtscoördinator, perfect organisator en bekwaam jurist, die voor de meeste contributieopbrengsten zorgde, dreigde een nieuwe vereniging op te richten, als Andries de Jong voorzitter zou worden. Twee dagen voor de ledenvergadering van 19 september 1968 zijn drie bestuursleden naar de districtsvergadering van Henk Hertoghs in het Protestants Militair Tehuis te Bergen op Zoom gegaan, en aldaar werd geëist dat Andries de Jong geen voorzitter van de VVDM zou worden. En dat is ook geschied.

Aalders was net als voorganger Oosterbeek voorzichtig, en dat gold ook voor de derde voorzitter Chris van Bockel. Tijdens zijn voorzitterschap kwam er een linkervleugel, die ook zo werd genoemd door van Bockel, bestaande uit Henk Beugels, Andries de Jong en Lout Bots. Deze linkervleugel werd in toom gehouden door de andere vier bestuursleden.
De opvattingen van de linkervleugel blijken uit een brief die Henk Beugels op 4 juni 1968 stuurde aan Andries de Jong.

Lout belde me vanavond op in verband met het feit dat wij voortaan alles op het ministerie via Muiderman moeten doen. Een brief onzerzijds gericht aan de legervoorlichtingsdienst ging rechtsstreeks naar Muiderman. Lout zei mij dat op deze manier de VVDM leegbloedt. Dit ben ik geheel met hem eens. Wij moeten niet alles nemen. Wij moeten ook een gesprek op het ministerie met generaal van Veen durven afbreken. Zoiets van: "Generaal, op deze manier heeft het voor ons geen zin meer met U verder te praten". Die manier zal volgens Lout en mij voor de VVDM meer opleveren. Dan kunnen we eventueel verder gaan praten met de kamercommissie.

De "gematigden" hielden niet alleen Andries de Jong af van het voorzitterschap, Chris van Bockel zorgde er ook voor dat Lout Bots niet als vice-voorzitter mee kon naar het overleg met het ministerie. In een brief aan Henk Beugels schreef hij in augustus:

Ik wens echter per se Lout niet mee te hebben, daar hij a priori negatief staat tegenover de legerautoriteiten en ik de brokken met Andries wel voldoende vind voor één bestuursperiode.

Bots bleef tot 1 januari 1969 in het bestuur, de Jong werd redacteur van Twintig en Beugels bleef nog enkele jaren als lid van de kascontrolecommissie een belangrijke rol in de VVDM spelen.

Het bestuur begon in deze periode met het op orde brengen van de financiën. De Twintig zou pas verschijnen als er voldoende geld binnen was: tussen september 1968 en maart 1969 verscheen de 'twee-maandelijkse' Twintig niet. Het bestuur regelde dat de contributie-inning vanaf januari 1969 ging lopen via de militaire administratie. Die hield de contributie in op de wedde van degenen die lid werden. In 1967 was daarmee op enkele kazernes begonnen en dat werd nu overal ingevoerd. Voordien kwam de contant betaalde contributie soms niet of slechts gedeeltelijk in de centrale kas terecht.
Daarna kon het bestuur doelbewust de volgende stappen zetten.

Uitbouw van interne organisatie en ledenwerving werd niet ter hand genomen. Zij bleven op hetzelfde peil als tevoren staan. Dit geschiedde om tijd vrij te krijgen voor het leggen van externe contacten om zodoende een betere overlegpositie en betere faciliteiten voor bestuursleden te krijgen. Op basis van deze faciliteiten kan volgens bedoeling vanaf 1-1-1969 meer aandacht aan interne organisatie en ledenwerving worden besteed. 28

Deze laatste voorspelling kwam volledig uit. Een bewijs daarvan is het ledental. Tussen februari en oktober 1969 steeg het ledental van vijfduizend naar twaalfduizend (ter herinnering: in november 1967 schatte men het ledental al op vijfduizend). Deze stijging ging door tot het najaar van 1971 toen er 32.000 leden waren (van een totaal van 45.000 dienstplichtigen).
Parallel met de ontwikkelingen in de VVDM, waren ook de rechtspositionele verbeteringen voor de dienstplichtigen in het jaar 1968 vrij gering. Vooral op kazernes boekte de VVDM kleine resultaten. In Nunspeet kwam er bijvoorbeeld een telefooncel waardoor bellen naar buiten de kazerne makkelijker werd; men kreeg toestemming om de legeringskamers op te fleuren met planten, affiches en gemakkelijke stoelen; de aflossing van de wacht op vrijdagmiddag werd vervroegd van 19.00 uur naar 16.00 uur en er kwam een bar voor manschappen en korporaals. 29

Een belangrijke verandering was op 1 maart 1969 de instelling van de contactcommissies. In alle onderdelen moesten deze commissies contacten tussen soldaten en kader verbeteren. De dienstplichtigen mochten zelf hun vertegenwoordigers kiezen.
De VVDM was er niet blij mee. Zij was bang voor concurrentie en vond het onjuist dat soldaten alleen als individu gekozen konden worden. Zelfs een lid van de Militaire Inlichtingen Dienst waarschuwde de VVDM daarvoor.

Volgens hem zijn de contactcommissies in de landmacht er gekomen op aandringen van conservatieve commandanten met de bedoeling de VVDM uit te schakelen. 30

Het resultaat was anders. Want al in de Twintig van april 1969 lezen we dat het ledental van de VVDM snel stijgt sinds de invoering van de contactcommissies. Veel betrokkenen richtten zich tot de VVDM voor meer informatie.
De instelling van de contactcommissies liep parallel aan de ontwikkeling in de rest van de maatschappij. In korte tijd waren "democratisering" en "anti-autoritair" modetermen geworden. Zelfs de voorzitter van de katholieke onderofficiersvereniging "St. Martinus" sprak in mei 1969 over "het ondemocratische, autoritaire en conservatieve leger". Studenten voerden aktie voor democratisering met een bezetting in Tilburg in maart en de Maagdenhuisbezetting in juni in Amsterdam. In de studentenbeweging voltrok zich daarna een omslag van hoop naar teleurstelling en radicalisering. Ook in het leger was de hoop dat de contactcommissies veel zouden doen veranderen, snel vervlogen.
De commandant mocht geen bezwaar maken tegen keuze van de dienstplichtigen, maar de verkiezingen hadden niet veel om het lijf. Meestal werd tijdens een les krijgstucht gevraagd wie beschikbaar was. Na enig aarzelen was er altijd wel een belangstellende (eventueel aangespoord door anderen). Een verkiezing tussen meerdere kandidaten was er zelden en soms was er geen enkele kandidaat; in dat geval kon de commandant iemand aanwijzen.
De commissies kwamen onregelmatig bij elkaar, meestal op initiatief van de commandant. De soldaten brachten hun wensen naar voren, maar de reactie was vaak dat veranderingen langzaam gaan. De soldaten moesten zich daarbij neerleggen want de commissies hadden geen formele bevoegdheden. De VVDM concludeerde al gauw dat er in de commissies slechts werd gepraat over futiliteiten. En terwijl een artikel in Twintig in juni nog afsloot met de vraag "Verdragen democratie en hiërarchie elkaar wel?", kwam op een aantal kazernes een antwoord. In augustus traden de dienstplichtigen in een contactcommissie in Havelte af, omdat een experiment met vrije reveille plotseling was afgebroken. Ook op andere kazernes traden soldaten uit de commissies om vergelijkbare redenen.
Als er in de geschiedenis momenten zijn aan te wijzen waarop een radicalisering plaatsvond, dan is deze periode één daarvan. In Twintig verschenen nog enkele stukken over de schijndemocratie van de contactcommissies, maar voor de VVDM vormden zij niet lang een probleem. Op een landelijke VVDM-vergadering in december 1969 eindigde een korte discussie met de opmerking dat de contactcommissies een bron van leden voor de VVDM waren en dat ze maar moesten voortmodderen.
Hier en daar probeerde men om de discussie over democratisering voort te zetten. In april 1969 waren kader en soldaten van een compagnie in Zuidlaren een weekend bijeen om over alle mogelijke zaken te praten. De reacties waren positief maar toen een week later de compagnie "vrijwillig verplicht" aanwezig moest zijn bij een optreden 's avonds van de Johan-Willem-Frisokapel, sloeg de stemming om.
In Ermelo wilde de VVDM een forum houden met officieren en onderofficieren over democratie in de krijgsmacht, maar de kazernecommandant verbood dit omdat hij het nut ervan niet inzag. Op de opleidingskazerne in Leiden kwamen in het voorjaar van 1970 honderd soldaten en kaderleden bijeen in een discussie over democratie in de krijgsmacht. Twintig schreef enthousiast over de avond, maar de discussie kreeg geen vervolg.
In 1971 werden de contactcommissies "overlegorganen", maar het belang ervan bleef beperkt; commandanten wilden geen beslissingen aan de overlegorganen voorleggen en soldaten wilden niet met akties wachten tot behandeling in overlegorganen.

Vanaf het voorjaar van 1969 ontwikkelde de VVDM-organisatie zich snel. Voor het eerst duurde de algemene ledenvergadering (ALV) van april een hele dag en waren er mensen uitgenodigd van buiten de VVDM, van het ministerie en van de pers.
In de zomer startten de zogenaamde "hearings" om het contact tussen hoofdbestuur en afdelingen te verbeteren. De hearing kwam voortaan maandelijks bij elkaar; het bestuur kon er horen wat zich in de afdelingen afspeelde en de afdelingen konden horen wat het bestuur deed. In hun functie waren de hearings te vergelijken met de DC-werkbesprekingen, maar de verbinding tussen bestuur en afdelingen was directer omdat die niet langer formeel liep langs de persoon van de districtscoördinator. (Later zouden de LKK en vervolgens de LSK dezelfde functie overnemen; zie verderop).
In het voorjaar van 1969 begonnen ook de eerste afdelingsbladen regelmatig te verschijnen, zoals de "Nieuw Groen" in Ede en de "Infra" in Eindhoven.
Het bestuur stortte zich op juridische zaken. Het georganiseerd overleg dat in januari was gestart, was daarvoor de aanleiding. Het GO kwam maandelijks bijeen en bood een gelegenheid om klachten van het bestuur en van afdelingen naar voren te brengen en om situaties op kazernes te toetsen aan de bestaande reglementen. De VVDM had de complete verzameling landmachtorders gekregen en bestuursleden en ex-bestuursleden (voornamelijk de juristen onder hen) begonnen deze te bestuderen. De VVDM kon plaatselijke commandanten controleren en kon soms gunstiger regelingen realiseren. De legerleiding profiteerde ook van deze juridische arbeid omdat de bestaande verzameling regelingen een chaos was, vol onderlinge tegenstrijdigheden en onjuistheden.
Het was ook belangrijk dat het VVDM-kantoor verhuisde van de Wittenberg naar de Hojelkazerne in Utrecht, vlak achter het Centraal Station, waardoor de verbinding met afdelingen veel gemakkelijker werd. Bovendien kregen in 1969 vier bestuursleden vrijstelling van dienst.

In het najaar van 1969 deed de VVDM een belangrijke nieuwe stap. Op kazernes werden handtekeningen opgehaald voor een hogere wedde en de VVDM bood deze aan op 24 oktober op het Binnenhof in Den Haag. De wedde bedroeg op dat moment 263 gulden minus 93 gulden IHV. De demonstratie werd een succes. Vijfhonderd dienstplichtigen liepen op woensdagochtend door Den Haag onder het roepen van leuzen als "Geen geld, geen soldaten", "De wedde moet omhoog" en "Wij willen vechten voor onze rechten".

Bij het betreden van het Binnenhof werd het angstig stil; er mochten geen leuzen geschreeuwd worden. Ieder maande de anderen tot stilte door te sissen; zo was het alsof een kwade slang het Binnenhof op kwam kruipen. Een motoragent die lawaai maakte werd weggesist. De heren van Leeuwen, Nagelkerke en Zwagemaker boden mr. van Thiel de petitie aan die door 12.000 soldaten was ondertekend. (...) Na de aanbieding van het smeekschrift vertrokken we weer naar ons uitgangspunt. Enkele beroepsmilitairen waren zo ongelukkig ons leger tegen te komen en werden langdurig uitgefloten. 31

Dat de VVDM radicaliseerde, bleek vooral in de voorbereiding van de demonstratie. De hearing moest kiezen uit twee mogelijkheden: een legale demonstratie in burger waarvoor iedereen een dag vakantieverlof zou opnemen, of een niet-legale demonstratie in uniform en zonder toestemming vooraf. Het tweede voorstel haalde bijna de helft van de stemmen. De aandrang op hardere akties werd steeds sterker.
Dat bleek ook toen soldaten van de Beeckmankazerne het praten over de kwaliteit van het eten moe waren en wilden staken. De secretaris van de VVDM haastte zich naar Ede en moest tot diep in de nacht praten om de afdelingsbestuurders van hun plannen te laten afzien. Deze kwestie en de weddedemonstratie zag de Twintig als een teken aan de wand.

We vermoeden dat, eerder dan men verwacht, zeker vanuit de dienstplichtigen dingen zullen gebeuren, die noch door het leger, noch door de Geestelijke Verzorging en waarschijnlijk ook niet door de VVDM in de hand te houden zijn. Deze groepen -zelfs de VVDM- hebben namelijk het contact met de groep verloren.

De afschaffing in 1969 van de lijst met verboden literatuur, het liftverbod en van de verplichting het uniform te dragen bij paraatheidsappèls in het weekend en tijdens het avondeten op de kazerne waren waarschijnlijk niet voldoende.


De jaren zeventig

Zo begon het jaar 1970 waarin de conflicten binnen het leger aan de oppervlakte kwamen.
De dienstplichtigen gingen ijverig op zoek naar mogelijkheden om aktie te voeren. Op de hearing van december 1969 stelde iemand voor kaderleden niet te groeten of juist met zoveel mogelijk mensen achtereen of om ook soldaten te groeten om het plezier voor het kader te bederven.

Al deze leuke grapjes krijgen een bijzonder effect door hier een speciale dag aan te wijden, de zogenaamde "groetdag". Dit voorstel werd met gejuich binnengehaald en er ontstond een plan om een commissie te vormen die zich serieus met deze zaak moet bezig houden.

De commissie durfde niet daadwerkelijk een groetdag te organiseren en argumenteerde op een volgende vergadering dat de groetplicht "thuishoort bij de punten van de uitslijtende traditie". Dit bleek later een vergissing. Verder overwoog men akties voor de afschaffing van het avondappèl (in maart al bij luchtmacht en marine afgeschaft), tegen de verplichte deelname aan parades en voor een vrijere haardracht.
Op kazernes ontstonden de eerste aanvaringen met de legerautoriteiten. Een illustratie hiervan is het verslag van een 'protestdiener',32 Soldaat P, bij het 103e geneeskundig bataljon op de Spoorkazerne in Ermelo.

Zo hadden we een "leus van de week" ingesteld. Ook combinaties van legeradvertenties en kranteberichten werden opgeprikt. Naar aanleiding van het verwijderen ervan door meerderen, kwam de discussie op gang. Tevens voerde het een zekere spanning aan: een soort oorlog tussen de kamer enerzijds en de officier anderzijds. Andere akties waren: massaal weigeren van dienstbevelen, het saboteren van excercitie, lessen (gekke vragen), sportlessen, kolonneritten, oefeningen et cetera. 33

Soldaat P wilde niet alleen "het kader pesten". In april 1970 stelde hij voor in een brief aan de minister te verklaren dat de ondertekenaars niet wilden optreden in een oorlog, met name niet in Vietnam. Anderen waren enthousiast en binnen een week ondertekenden 143 mensen de brief. De brief plus handtekeningen stuurden ze naar de minister van defensie, de PSP, de VVD en zes landelijke dagbladen. Na twee dagen barstte de bom.

Het was vrijdag en we zouden een paraat weekend doorbrengen op de kazerne. Vrijdagavond was het op de compagnie nogal onrustig, daar een groep de volgende week zou afzwaaien. De officier van piket kwam hierop af en smeekte ons rustig te zijn, daar de kazerne onder hoge druk stond. Wij begrepen eerst niet wat dat betekende, maar toen onze appèlkaarten opgevraagd werden, wisten we wel beter. De volgende morgen bleken enkele generaals in nachtelijk beraad op de kazerne te zijn geweest. Den Toom en Haex34 hadden telefonisch contact met de vergadering. Doordat de pers zijn werk gedaan had (het Parool op vrijdagmiddag, Trouw op de voorpagina) was het een kwalijke zaak geworden voor het leger. Zaterdagmiddag besteedde ook de VARA aandacht aan de aktie.

Er begon een uitgebreid onderzoek naar de aanstichters. De marechaussee verhoorde soldaten en onderzocht schrijfmachines, maar kon geen bewijzen vinden. De ondertekenaars vertelden allemaal hetzelfde verhaal en de pers volgde de zaak op de voet. Veertig minuten nadat soldaat P was opgepakt, werd dit vermeld op de landelijke radio. De legerleiding nam geen strafmaatregelen, bijna tot verdriet van Soldaat P.

Wanneer de pers echter niet gereageerd zou hebben, dan zouden de gevolgen van deze escalatie bijzonder interessant zijn. De aktie zou compleet zijn, wanneer deze zich als een olievlek uitgebreid had over de kazerne en de rest van het leger.

De laatste veronderstelling van soldaat P. was te optimistisch, want zelfs de solidariteit op de eigen kazerne (de leden van de contactcommissie wilden alle onderdelen de brief laten ondertekenen) kwam slecht van de grond door een gebrekkige organisatie.
Begin juni stuurde men een tweede brief met commentaar op de reactie van de legerleiding. Dat leidde uiteindelijk tot een gesprek met de minister in augustus dat toen overigens weinig aandacht meer trok.

Dit voorbeeld stond niet op zichzelf. In Luctor, het afdelingsblad van Oirschot, verscheen in maart een ingezonden brief met daarin:

Het enige wat je moet doen is je verzetten en leiding geven in dat verzet. Pleeg obstructie waar je kan. Saboteer het systeem. Revolteer. Laat merken dat je er bent. De demonstratie leek een stap in de goede richting, maar waarom zo slap? Waarom niet meer kreten dan: "Den Toom, go home"? Waarom geen stenen in het Ministerie van Uitbuiters (vroeger Defensie) naar binnen gekeild? Waarom geen stormloop op dat centrum van paternalisme"?

De schrijver van het artikel bleef onbekend, maar de redactieleden van Luctor kregen 200 gulden boete en twee maanden voorwaardelijk.
Eveneens in maart verscheen in de "Nieuw Groen" van de van-Essen-Koolkazerne in Ede een artikel waarin stond dat het tijd werd om te gaan staken, en daarna:

Dacht je heus dat militaire dienst zo kwaad is? Die structuur zo rot? Al die beroeps per definitie machtswellustelingen? Op hun strepen staande schreeuwers die soldaten beschouwen als rebellen, eigenwijze gezagsondermijnende figuren? Nee? Nou dat is dan jammer, want dat is wel zo?!

De volgende nummers van Luctor en Nieuw Groen leverden eveneens straffen op, terwijl op andere kazernes redacties artikelen niet plaatsten, omdat commandanten dreigden met een verspreidingsverbod.
Ook het VVDM-bestuur kwam in conflict met de legerleiding. In het maartnummer van Twintig schreef bestuurslid Bob Manten dat een staking een logische stap is na een demonstratie die geen resultaat heeft opgeleverd, en dat de VVDM zich het recht moet voorbehouden om over te gaan tot niet-parlementaire akties, zoals staking of ludieke aktie.
"Met enige bezorgdheid" vroeg minister Den Toom de mening van het VVDM-bestuur hierover en of het niet beter was de inhoud van Twintig meer te controleren. Na aandringen in het Georganiseerd Overleg erkende het bestuur dat er niet gestaakt zou moeten worden, maar publicatie van het artikel was wel zinvol om discussie op gang te brengen.
Al deze zaken kregen publiciteit, net als de straf van tien dagen verzwaard arrest voor een soldaat uit Ede die een affiche had opgehangen met de tekst "Portugal moordt met NAVO-wapens in Afrika".
De gebeurtenissen in het leger volgden politieke ontwikkelingen buiten het leger op de voet. In december 1969 had het Amsterdamse Provo-raadslid Roel van Duyn namelijk de geruchtmakende "Sabotagenota" ingediend. In plaats van militaire verdediging moest de bevolking zichzelf leren verdedigen onder andere met sabotagetechnieken. Sabotage werd een modewoord en sommigen vonden dat sabotage niet pas nodig was als een vreemde mogendheid het land zou binnenvallen. Zo meldde zich iemand bij de Bond Voor Dienstweigeraars met het ontwerp van enkele pamfletten met de oproep sabotage te plegen in het leger.

De pamfletten werden op het BVD-secretariaat met een dubbelzinnig soort enthousiasme begroet: we waren trots, verbaasd en misschien ook wel een beetje verlegen dat we al zo radicaal geworden waren. 35

De BVD besloot de pamfletten bij kazernes te verspreiden. De pamfletten waren verluchtigd met tekeningen en keerden zich fel tegen de onderdrukking in het leger. In het tweede pamflet vinden we bijvoorbeeld de tekst:

Elk openlijk verzet mislukt, leidt alleen tot straffen en ergere onderdrukking. Sabotage is de enige mogelijkheid van verzet. Het eisen van hoger loon, vrij reizen, dicht bij huis gelegerd zijn, werkdagen van negen tot vijf, blijft noodzakelijk. Maar zelfs als deze eisen ingewilligd zouden worden, betekent dat nog niet dat soldaten enige ZEGGENSCHAP zouden krijgen over wat ze doen. Daarom moet de leiding ongemerkt en zelfstandig overgenomen worden. Sabotage holt het leger uit, pamfletten en discussies doen de rest.

Eventuele saboteurs kregen nuttige adviezen.

Ten eerste loop je persoonlijk het gevaar om betrapt te worden. Deze trieste afloop van een sabotagedaad moet in ieder geval voorkomen worden. Het is daarom het beste om zoveel mogelijk alleen te doen. Vertrouw alleen degenen die evenveel risico nemen als jijzelf. Iemand die ook strafbaar is zal niet zo gauw doorslaan tijdens een verhoor.

En het pamflet besloot:

Door de bijna verpletterende terreur van sergeanten, bazen, wetenschapsmensen, eigenaars, politici, huisbazen, raadslieden, ...... worden miljoenen mensen uitgebuit en gedood. Elke sabotage van deze onderdrukking is een menselijke daad, zelfs al kost het mensenlevens! 36

In januari, februari en maart verspreidde de BVD deze "S-pamfletten" en veel soldaten reageerden enthousiast, zoals blijkt uit een brief uit Eindhoven:

Hier even een briefje over die pamfletten (S-2) die ik zou uitdelen. Gewoon om je te vertellen dat het zo'n enorm succes was. Ik heb wel vaker pamfletten uitgedeeld, maar nog nooit heeft me dat zoveel voldoening gegeven. De pamfletten werden door de soldaten direct gelezen, vaak hardop en dan werden ze allengs enthousiaster. Sommigen kwamen terug om nog meer pamfletten te halen, maar er waren er ook die zeiden dat het erg goed was, maar dat ze het liever teruggaven omdat je zoiets niet zou mogen hebben. In ieder geval bleek me dat iedereen het als een blijk van solidariteit ervoer: de dienst schijnt inderdaad aan je klote te vrete! Graag van S-3 het dubbele aantal en tot ziens. 37

BVD-lid Ben Dankbaar had twijfels bij het pamflet.

Protestdienst is een vorm van sabotage; het kapot maken van allerlei materieel is daarbij natuurlijk mooi meegenomen. Men moet daarbij natuurlijk wel uitkijken dat er geen gevaar is voor anderen. Als iemand beweert dat sabotage zelfs levens mag kosten, dan is dat alleen al uit taktisch oogpunt onverantwoordelijke sabotage. Verder is het natuurlijk onmenselijk. Overigens is het een uitstekend pamflet dat als begin van bewustwording bij militairen kan dienen. 38

Een derde sabotagepamflet kwam er niet, omdat er geen behoorlijk ontwerp gemaakt kon worden.

Zoals gezegd, concludeerde de hearing in januari dat de groetplicht niet erg belangrijk was. In juni bleek de vergissing, toen tegen iemand die al vijf maanden in voorarrest zat, 16 maanden gevangenisstraf werd geëist, omdat hij geweigerd had voortaan nog meerderen te groeten. Hij had in januari, enkele weken na opkomst, bij zijn commandant aangekondigd dat hij zou weigeren te groeten, aan parades deel te nemen en zijn haar te laten knippen. Toen hij op het avondappèl inderdaad niet meer groette, werd hij in voorarrest genomen en verdween hij voor een paar maanden uit ieders aandacht.
Zijn advocaat probeerde aan te sturen op een S-5 en waarschijnlijk beschouwde de soldaat, Henk van der Horst, zijn daad als een manier om met een eigen motivatie dienst te weigeren, want hij deed geen pogingen om contact op te nemen met de VVDM. De advocaatfiscaal achtte voor het Hoog Militair Gerechtshof de zaak gelijk aan dienstweigeren en eiste zestien maanden.
Vijf jaar eerder zouden velen de handelwijze van Henk van der Horst waarschijnlijk beschouwd hebben als een tamelijk domme manier om uit dienst te komen. Nu sloot zijn motivatie aan bij de hoop van veel soldaten op veranderingen. De VVDM organiseerde op 1 juli een nationale groetdag die een groot succes werd, zeker wat betreft de publiciteit. Nog nooit had de Nederlandse pers zoveel aandacht aan de VVDM besteed.

Door de briefakties kreeg soldaat P contact met het afdelingsbestuur van de VVDM. Samen organiseerden zij voor Ermelo de nationale groetdag (de eerste). Veertig maten uit Ermelo waren op 1 juli op de Dam in Amsterdam om iedereen te groeten. (Voorbereiding: op de hele kazerne waren aankondigingen opgehangen). Het idee om ook buiten de kazerne iets te doen kwam uit Ermelo. Een commandant op de kazerne herkende op krantefoto's enkele van zijn ondergeschikten; hij gaf ze een half uur strafexcercitie. 39

In "Evergreen", afdelingsblad van de Johan-Willem-Frisokazerne in Ede, staat een beschrijving van de gebeurtenissen tijdens de groetdag aldaar. Door een aantal dienstplichtigen werd veel en enthousiast gegroet en toen er iemand niet correct groette, moest hij onmiddellijk op rapport CC verschijnen en kreeg hij vijf dagen verzwaard arrest met de volgende motivatie:

Een meerdere, waarvoor groeten niet verplicht is, op nonchalante wijze gegroet. Toen hij om deze reden werd staande gehouden, begonnen te lachen en gevraagd of deze meerdere het er niet mee eens was. Nadat hem daarna werd opgedragen nogmaals en nu correct te groeten, dit niet onmiddellijk gedaan, doch eerst op overdreven wijze gegroet, nadat zijn persoonlijke gegevens waren opgenomen en hij zijn weg mocht vervolgen.

Een stuk in Evergreen hierover besluit met de opmerking:

Deze gang van zaken toont wederom aan hoe belachelijk de groetplicht is. De groetplicht en vele andere futiliteiten dienen te worden afgeschaft, aangezien zij de sfeer en het leven binnen de krijgsmacht vergallen.

Deze opmerkingen waren opnieuw een reden om straf uit te delen: vier dagen licht arrest voor de hoofdredacteur van Evergreen.
Ook in Havelte vielen straffen; twee soldaten kregen zes dagen verzwaard omdat ze zonder toestemming een pamflet hadden verspreid. In november verklaarde het Hoog Militair Gerechtshof een beklag hiertegen echter gegrond, waarmee kwam vast te staan dat het niet nodig is vooraf toestemming te vragen voor verspreiding van bulletins of kazerneblaadjes. Dat was een belangrijk resultaat voor het werk van de VVDM. Een toetsing achteraf op de inhoud bleef (uiteraard) wel mogelijk.
De groetdag bracht niet de afschaffing van de groetplicht. Het HMG veroordeelde Henk van der Horst tot acht maanden met aftrek van vijf maanden voorarrest en tot ontslag uit militaire dienst. De VVDM was niet tevreden en besloot in de toekomst elk jaar op 1 juli een groetdag te organiseren totdat de groetplicht zou zijn afgeschaft.

In het najaar van 1969 en het voorjaar van 1970 vond in Nederland een omslag plaats. Niet in de zin dat de groei van de oppositiebeweging veranderde in een stagnatie, want die oppositie bleef in de eerste helft van de jaren zeventig voortdurend in omvang toenemen. Er was een omslag omdat de inhoud en het doel van veel oppositiebewegingen zich in korte tijd wijzigden, met name omdat de oppositie anti-kapitalistisch of socialistisch werd.
Tot 1970 was het geloof in de "welvaartstaat" nog niet erg aangetast en richtte oppositie zich vooral op democratisering en een soort liberalisering, bevrijding van conservatisme.
We kunnen de "Oranjevrijstaat" (van januari tot juni 1970, zie hoofdstuk 2) beschouwen als de, meest uitgewerkte verschijningsvorm van een liberale, anti-autoritaire oppositie. De Oranjevrijstaat was het hoogtepunt en tegelijkertijd het eindpunt. Want vanaf het moment dat de "kabouters" (de inwoners van de Oranjevrijstaat) in mei 1970 vijf zetels in de gemeenteraad van Amsterdam hadden veroverd, begonnen zij uit het politieke gezichtsveld te verdwijnen.
De studenten hadden al eerder de conclusie getrokken dat de maatschappij "structureel" veranderen moest omdat de bezetting van het Maagdenhuis in mei 1969 geen spectaculaire resultaten had opgeleverd. In het najaar van 1969 en in het voorjaar van 1970 zette men daarom een streep onder de democratiseringsstrijd en startte een politisering bij een groot deel van de activisten. Zij waren nu van mening dat de maatschappijstructuur moest veranderen en dat het kapitalisme en het streven naar winst de oorzaak waren van de maatschappelijke problemen.
Het anti-autoritaire van voorheen maakte plaats voor socialisme dat soms zeer autoritair kon zijn en zeker niet pacifistisch was. Er werd niet meer gesproken over het verburgerlijkte klootjesvolk, maar over de arbeidersklasse die een voortrekkersrol speelde in de strijd voor het socialisme. 'Individualisme' maakte plaats voor 'solidariteit' en terwijl in 1968 de gebeurtenissen in Tsjechoslowakije nog met hoop en enthousiasme werden gevolgd door 'de beweging', waren in 1971 veel activisten terecht gekomen in soms zelfs uitgesproken stalinistische organisaties. Ter nuancering moeten we hierbij opmerken dat niet alle activisten geleidelijk hun ideeën aanpasten, maar veeleer dat andere mensen op de voorgrond traden.
De Bond Voor Dienstweigeraars veranderde zijn naam in Bond Voor Dienstplichtigen; De Provo's en de kabouters verdwenen evenals de Nederlandse studentenraad (NSR) en een aantal plaatselijke studentengrondraden. In plaats daarvan ontstonden in veel steden buurtgroepen, een milieubeweging en 'Dolle Mina'; de maoïstische KEN (ml) groeide snel en ook de CPN won aanhang onder studenten.
Later is wél een zekere conjunctuur aan te wijzen in maatschappelijke protesten, met een opgaande periode tot grofweg 1976, gevolgd door een neergaande periode waarin zich steeds meer een malaisesfeer verbreidde. Het is niet verbazingwekkend dat midden in het proces van teruggang, in 1979 de discussie begon over "De matheid van de jaren zeventig". Het motto had echter beter "De matheid van de tweede helft van de jaren zeventig" kunnen zijn, of gewoon "De jaren zeventig", want de jaren zeventig als geheel waren zeker niet "mat", maar wel duidelijk te onderscheiden van de jaren zestig. Of waren diegenen die begin 1970 naar de achtergrond gedrongen werden, degenen die in 1979 spraken over de matte jaren 70?
Men kan niet zeggen dat de ontwikkelingen in het leger achterliepen op de ontwikkelingen in de rest van de maatschappij, integendeel. De protestbeweging vond vrijwel onmiddellijk weerklank binnen het leger. Dat is begrijpelijk gezien de voortdurende instroom van dienstplichtigen vanuit de maatschappij naar het leger. Steeds meer studentenactivisten besloten in dienst te gaan en daar actief te worden, waarbij de omvorming van de BVD in Bond Voor Dienstplichtigen een grote rol speelde. Zo ondervonden het leger en de VVDM vrijwel onmiddellijk de invloed van de radicalisering van de studentenbeweging.