Toppers en tuinders
door Ir J.H.Spaan en Dr ir J.D.van der Ploeg
Westlandse tuinder laat zien dat schone grondteelt kan (1994)
Grondtelers verzetten zich tegen overheidsbeleid
Tuinders die in de grond telen waren ontevreden. Het Ministerie van Landbouw stelde milieunormen op voor de glastuinbouw die ze nooit konden
halen. Sommige gewassen moesten in de toekomst verplicht geteeld worden op kunstmatige voedingsbodems. Een aantal telers ging niet akkoord met
dit beleid. Zij zetten zich in voor het behoud van de teelt in de grond. De Werkgroep
Telen in de Grond was geboren.
Jan van Reeven uit 's Gravenzande is één van hen. Hij wil laten zien dat telen in de grond kan. En dat doet hij met succes. Hij vertelt zijn
verhaal. Maar eerst staan we stil bij de “Werkgroep Telen in de Grond”, hoe is ze ontstaan en wat doet ze.
Werkgroep onstaat uit onvrede
"In het jaar 2000 dienen produkten van de glastuinbouw voor een zeer groot deel in nagenoeg gesloten bedrijfssystemen geproduceerd te worden".
Dit staat in de Structuurnota Landbouw van 1989. Het Ministerie van Landbouw bepaalde daarmee dat telen los van de ondergrond, op kunstmatige
voedingsbodems, in de toekomst verplicht zou worden. De bedoeling was dat telers eerst zouden overgaan op substraatteelt en vervolgens het
gebruikte water met resten meststoffen en bestrijdingsmiddelen zouden opvangen en hergebruiken.
De overheid stelde de normen voor uitspoeling van stikstof en fosfaten naar oppervlaktewater en grondwater zo hoog, dat telers in de grond ze
nooit zouden kunnen halen. Telen in de grond zou dus vervuiling veroorzaken en alle beleidsinspanning moest gericht worden op telen los van de
ondergrond. Ook het Proefstation voor Tuinbouw onder Glas in Naaldwijk sloot zich hierbij aan en stopte het lopende onderzoek naar
grondteelten. Hierbij ging men voorbij aan het feit dat teelten los van de ondergrond de normen op dat moment zeker ook niet konden halen, en
dat het de vraag was of dat in de toekomst wél zou kunnen. Met evenveel recht zou het ministerie kunnen stellen dat teelten los van de
ondergrond de normen niet konden halen en vanaf 2OOO dienden te verdwijnen.
Het beleid riep wrevel op bij veel telers, met name in de groentesector. Meer dan zestig procent van het areaal groentegewassen onder glas
werd al geteeld op steenwol of op andere kunstmatige substraten. Degenen die nog in de grond teelden, hadden tegen een gedwongen overschakeling
grote praktische en soms ook principiële bezwaren. Op 24 oktober 1990 richtte een aantal telers afkomstig uit verschillende gewasgroepen van
de NTS (Nederlandse Tuinbouw Studiegroepen) de "Werkgroep Telen in de Grond" op. De doelstelling was het behouden van de teelt in de grond,
onder milieuvriendelijke en gecontroleerde omstandigheden.
De oprichting kwam voort uit de onvrede met de opvatting dat de grondteelten hun beste tijd hebben gehad en dat het
zinloos is om je tegen die vooruitgang te verweren. Ook discriminatie op de veiling, waar paprika's uit de grond bij voorbaat niet in het
'Amerikablok' kwamen, waardoor een betere prijs werd misgelopen, zat de grondtelers niet lekker. Men was er ook allerminst van overtuigd dat
grondteelt vervuilender is dan substraatteelt. Een groep grondtelers stelde: "... dat telen in de grond milieuvriendelijker is dan de
substraatteelt. Zeker als er organisch bemest en gestoomd wordt. De gewasbescherming vindt steeds vaker biologisch plaats. Terwijl de
substraattelers veel overdraineren en gewasbeschermingsmiddelen meedruppelen".
Maar het ging de Werkgroep niet alleen om het milieu. Het ging ook om een manier van werken en van bedrijfsvoering, zoals in een artikel over
de Werkgroep in "De Tuinderij" werd opgemerkt: "Men heeft er moeite mee, zomaar op een ander gewas over te schakelen. Deze groep tuinders
streeft niet naar 51 weken hetzelfde gewas. Zij willen gewoon sla of radijs telen, omdat het gewas bij hen past. Daaruit spreekt liefde voor het vak.
Niet iedere tuinder heeft behoefte aan de drukte van een hogedraad-tomatengewas of een paprikateelt".
Vele mogelijkheden
Het zoeken naar mogelijkheden om de grondteelt milieuvriendelijker te maken vormde vanaf het begin een belangrijk element van de activiteiten
van de Werkgroep. Vele grondtelers reageerden positief op deze activiteiten. Kees Zuidgeest is lid van de Werkgroep en vertelt over de
activiteiten: We hebben een eenvoudig registratieformulier voor het gebruik van meststoffen ontworpen, een avond daarover georganiseerd en een
excursie op enkele bedrijven van grondtelers. We zijn ook begonnen met praktijkonderzoek op een bedrijf met een waterbassin en onderbemaling.
Het Proefstation wilde eerst niet meewerken, maar in maart 1992 is het onderzoek gestart. We zijn ook nog op bezoek geweest bij Promest om te
zien of hun organische mest misschien bruikbaar was voor ons. We werden vorstelijk ontvangen, maar onze conclusie was, dat de
mineralenverhouding voor ons ongunstig is. Er zit te veel fosfaat in en eigenlijk weinig organische stof. Ook de prijs viel ons nogal tegen".
Eén van de activiteiten, waaraan veel grondtelers hebben meegewerkt, is een inventarisatie van allerlei mogelijke manieren om milieumaatregelen
te nemen bij de teelten in de grond. Een groot aantal telers heeft voorbeelden en suggesties gegeven en dat leverde een flinke waslijst op met
praktische mogelijkheden om de watergift, de bemesting, de grondontsmetting en de gewasbescherming te verbeteren.
De inventarisatie is als onderdeel van een rapport uitgebracht. Het rapport maakt duidelijk hoeveel er al in de laatste jaren aan teeltsystemen
verbeterd is en hoeveel er nog verbeterd kan worden als maatregelen worden gecombineerd. In ieder geval blijkt dat grondtelers zelf aan de
slag zijn gegaan en dat het niet reëel is te zeggen dat grondteelten de normen niet kunnen halen en dus dienen te verdwijnen.
Milieuprijs
Het rapport verscheen op 23 oktober 1992, op de dag dat de Westlandse milieuprijs werd uitgereikt aan twee grondtelers! Jan Groenewegen uit
Naaldwijk en Aad Jonker uit 's-Gravenzande waren er beiden in geslaagd om via de mest minder mineralen te geven dan er via planten van het
bedrijf werd afgevoerd. Eén verklaring daarvoor is de grote hoeveelheid mest die in het slootwater zit. Jonker was erin geslaagd de
meststoffengift terug te brengen tot dertig procent van wat hij vroeger gebruikte. Jonker in "Groenten en Fruit" over zijn aanpak: "Je krijgt
meteen te maken met mensen die zeggen dat het niet kan. Op dat moment start er vaak een uitgebreide discussie. Gelukkig zijn er altijd wel
telers bij die collega's kennen, die ook terug zijn gegaan met de mestgift. Op zo'n moment is er al veel gewonnen. Als de mensen er maar over
na gaan denken." En hij voegt daar aan toe: "Ik denk soms dat veel vruchtgroentetelers liever weer in de grond zouden willen telen. Al dat
substraat en al die kunststof rotzooi waar ze mee te maken hebben. De meerproduktie die ze op substraat hebben bereikt, hadden ze misschien
ook met druppelbevloeiing en aangepaste bemesting in de grond kunnen bereiken".
Kees Zuidgeest was enthousiast over die prijsuitreiking, maar meent dat je ook te weinig mest kan gebruiken: "Die dag was een groot succes.
Het was een grote propaganda voor de zaak van de grondtelers. Voor het rapport hebben we ook later nog enorm veel aanvragen binnen gekregen.
De normen zijn inmiddels nog niet veranderd, maar mensen van het Proefstation hebben al toegegeven dat de normen gewoon te hoog zijn gesteld
en dat de vaststelling in feite een vergissing is geweest. Maar de tuinders gingen zich wel inspannen om het mestgebruik terug te dringen.
In 1991 werd minder mest gegeven zonder groot nadelig effect. In 1992 gebruikte men opnieuw minder mest. Misschien is dat iets te ver
doorgeschoten. De reserve die de grond nog had, was inmiddels opgebruikt. Dat gaf problemen met de kwaliteit van de groente: een glazige sla of
radijs met te weinig lof. Er zijn misoogsten geweest, waardoor het gewas op het land versnipperd moest worden. In 1993 geven veel mensen weer
iets meer mest. Het is een leerproces met vallen en opstaan waarbij we stap voor stap vooruitgaan".
Mening uitdragen
Aanvankelijk waren de leden van deWerkgroep huiverig om op te komen voor de eigen belangen en hun mening luid te verkondigen. Ze waren bang
terecht te komen in een belangenstrijd met substraattelers, de meerderheid. Sommigen vonden het niet verstandig cijfers naar buiten te brengen
waaruit bleek dat de mestuitspoeling bij substraatteelten in de praktijk een veelvoud bedroeg van de uitspoeling bij grondteelten. Dit zou het
imago van de sector als geheel geen goed doen, maar voor het behoud van de grondteelt was het een essentieel argument. Vorig jaar sloeg de
stemming om en maakten angst en terughoudendheid plaats voor zelfvertrouwen. Kees Zuidgeest over deze omslag: "In 1992 kregen we weer het
vertrouwen dat ons werk nut had. Je kan nu zien dat mensen weer willen investeren in de grond. Dat was een tijdlang niet zo. De verwachting is
nu toch dat de verhouding tussen grondteelten en substraatteelten in de toekomst niet veel meer zal veranderen.
Begin 1992 verscheen ook het rapport "Toppers en Tuinders", dat voor ons een hele steun in de rug is geweest. Voor het eerst werd in een
wetenschappelijk rapport gezegd dat telen in de grond niet schadelijker voor het milieu is dan substraatteelt en dat de beloften van
substraatteelt nog lang niet kunnen worden waargemaakt".
In datzelfde voorjaar van 1992 kwam de commissie die belast was met de uitvoering van de Wet Verontreiniging Oppervlaktewateren met een lijst
met gewassen die bij nieuwe bedrijven niet meer in de grond zouden mogen worden geteeld. Onder andere paprika, tomaten, komkommers en
courgettes zouden verplicht op steenwol moeten worden geteeld. Daarover is zoveel beroering ontstaan dat de lijst werd ingetrokken. Voor
grondtelers zou daarmee een onomkeerbaar punt bereikt zijn, omdat bij teelt in de grond bijna per definitie vruchtwisseling nodig is. Men moet
dus ook voor enige tijd komkommer of tomaat kunnen telen.
De Werkgroep Telen in de Grond was een regionale werkgroep van de NTS. Al in januari 1991 sprak men over de wenselijkheid om een landelijke
commissie voor teelten in de grond te vormen en om contacten te leggen met de bloemensector. Mede door het ontbreken van steun daarvoor van de
NTS lukte dat in eerste instantie niet, maar op 1 juli 1992 is toch een landelijke werkgroep opgericht. Een landelijke werkgroep heeft meer
aanzien en kan makkelijker dingen bereiken richting onderzoek en beleid. Tevens zijn plaatselijke groepen van grondtelers opgericht in
Barendrecht en in Limburg. Ook bloementelers-in-de-grond zijn er afgelopen winter toe overgegaan een werkgroep op te richten. Zij willen de
aanpak van de Westlandse werkgroep volgen. Kees Zuidgeest: "Het is eigenlijk vreemd dat zij nu pas begonnen zijn, terwijl bloementelers nog
veel meer in de grond zitten dan wij. Zij hebben steeds gedacht dat het onderzoek op een gegeven ogenblik wel met oplossingen zou komen, maar
komen er nu achter dat ze ook zelf wat moeten doen. Die werkgroep wil ook beginnen met registratie en wil ook een rapport maken zoals wij
gedaan hebben. Substraattelers zouden ook best zo'n rapport kunnen maken".
Er ontstaan meer en beter georganiseerde werkgroepen. Grondtelers ontplooien zelf allerlei activiteiten om de ontwikkeling van een
milieuvriendelijke teelt tot stand te brengen. Het aanvankelijke defensief wordt steeds meer omgezet in een offensief. Het gaat zelfs de kant
op dat gedacht wordt dat "geteeld in de grond" mogelijk een voordeel kan zijn op de markt. Kees Zuidgeest: "In februari heeft de veiling een
bijeenkomst georganiseerd over grondteelten. Van Oosten van het Proefstation zei daar dat de grondtelers tot nu toe een overlevingsstrategie
hebben gevoerd, maar dat ze nu meer in het offensief moeten gaan. Het imago van de grondteelten is positief. Grondtelers moeten registreren en
meten en zelf normen stellen en dan moeten ze met hun produkt de markt op. Dat zal niet eenvoudíg zijn, want tachtig procent van de
groentetelers teelt nu op substraat en die willen niet dat er een duidelijk onderscheid komt. De consument vraagt er wel om. Vooral in Zuid
Duitsland en Oostenrijk willen mensen geen steenwol".
Jan van Reeven zoekt zijn eigen oplossingen
Jan van Reeven is een van degenen die zich niet bij het overheidsbeleid wil neerleggen. De strijdlustige teler met hart voor het vak legt uit
hoe hij tot zijn eigen oplossingen komt.
"Een paar jaar geleden las ik in Oogst dat de teelt van tomaten in de grond verboden zou worden. Ze wilden een gewassenlijst maken, met
gewassen die in de toekomst alleen nog op substraat geteeld zouden mogen worden, omdat grondteelten het milieu te veel zouden vervuilen. Toen
dacht ik: Ik ga het wél doen, om te laten zien dat het kán. Met zo'n verbod trappen ze juist de tuinders op hun hart die proberen verantwoord
met hun vak om te gaan!
Vruchtwisseling
Ik had een gewoon bedrijf met tomaten en sla, maar ik besloot het anders te doen. Ik wilde de grond niet meer doorspoelen, stomen of chemisch
ontsmetten en wilde in plaats daarvan meer vruchtwisseling en langere rustperioden. Mijn tomatensorteermachine heb ik verkocht en in plaats
daarvan kocht ik een koelcel. Ik heb een vruchtwisselingsschema gemaakt met meer dan tien verschillende gewassen. Vroeger paste ik ook
vruchtwisseling toe. Dat deed ik altijd al liever dan gassen. Maar minder dan nu. Mijn tuin was kleiner en ik werkte intensiever. Het kwam
toen niet voor dat ik een stukje leeg liet liggen. Ik probeerde verantwoord om te gaan met de produktiemiddelen, maar ik 'methylde' regelmatig
en het afval liet ik wegrijden.
We hebben altijd heel gewetensvol gewerkt. Het zou toch een grof schandaal zijn als wij zomaar de grond uit geschopt worden. Ik móet daartegen
ageren. Planten zijn geschapen om te groeien in de grond. Van mij mógen ze groeien op substraat, maar als dat móet, ben ik daar hevig tegen.
Toen ik merkte dat het beleid die kant op ging, kon ik me niet meer aan de discussie onttrekken. Ik ben niet principieel tegen substraat. Jaren
geleden heb ik uitgerekend of het bij mij zou kunnen. Maar mijn warenhuis was nog redelijk en ik wist nog niet of mijn zoon wilde doorgaan.
Afbreken zou kapitaalvernietiging geweest zijn en ik heb het zo gehouden."
"Ik heb verschillende afdelingen met verschillende bouwplannen. In één vak had ik vorig jaar sla en pepers en dit jaar andijvie, prei en
vleestomaten. In het vak ernaast had ik sla, prei en vleestomaten en dit jaar andijvie en pepers. Prei en pepers heb ik steeds naast elkaar,
omdat die dezelfde temperatuur nodig hebben. Volgend jaar komen hier bloemkool en snijbonen.
In de tweede afdeling had ik in 1992 in het ene vak eerst sla, dan half snijbonen, half meloenen en daarna vijf maanden rust. In het tweede
vak sla, vijf maanden rust met daarna andijvie en in 1993 snijbonen en meloenen. Het eerste vak zou nu leeg moeten zijn, maar laatst kon ik
een partij bloemkolen krijgen die anders weggegooid zou worden. Dan moet de grond maar niet uitrusten. De pijp moet blijven roken.
In de derde kap heb ik snijbonen en vroege meloenen in een broeiveur, en in de vierde kap had ik vorig jaar sla, daarna een tijd rust, en
daarna paprika. Ik had van juli tot februari paprika. In december en januari was ik de enige die paprika leverde. Maar de prijs viel niet mee,
want er waren volop Spaanse en Turkse paprika's. Ik klaag niet hoor, want ik wilde het gewoon doen. Ik wilde ervaring opdoen met paprika,
zodat ik er ook over kan meepraten.
Tomaten moet je niet te vaak telen, want dan krijg je problemen. Ik kan gemakkelijk doorgaan, want als ik achteraan ben, begin ik gewoon
vooraan opnieuw. Het gevoeligst zijn meloenen. Die kan je maar een keer in de vijftien jaar telen".
"Tuinders waren vroeger niet zo druk bezig met vruchtwisseling onder glas als ik nu. Ik heb met oude tuinders gepraat, maar die deden het
anders. Ze haalden in de winter het glas weg en lieten de grond nat regenen. Sommigen verplaatsten de warenhuizen om de zoveel tijd. Ik moet
veel zelf uitvinden. Iedereen moet zijn eigen ervaring opdoen op zijn eigen grond. Ik heb ook risico's gelopen en wel eens een teelt moeten
vernietigen. Daar leer je van.
Ik ben altijd geïnteresseerd geweest in geschiedenis en aan oudere tuinders vroeg ik altijd: "Hoe deden jullie dit en waarom niet zó?" Je moet
niet denken dat vroeger alles zo geweldig was, maar je kan wel veel leren van het verleden.
Je kan bij mij zien hoe ze vroeger sla teelden. De moderne manier is met een rolfreezer de grond aandrukken, dan gaatjes laten rollen, de sla
erin en dan water geven. Maar zo verwen je ze te veel. Ik heb de grond los gefreesd en de plantjes met de hand erin gedrukt en geen water
gegeven. Ik liet de plantjes zien dat ze moesten vechten om water te halen. Weinig mensen telen zware sla en je moet alles zelf uitvlooien.
Ik heb het geprobeerd zoals ik dat vroeger nog als knecht gedaan heb, en het resultaat is een prachtige sla.
Soms ontdek je dingen door toeval. Ik heb voor de tomaten een tweestengelsysteem. Zo' n plant kan makkelijk twee stengels grootbrengen. Daar
begon ik mee toen ik per ongeluk de helft van mijn planten was kwijtgeraakt. Dus pootte ik één rij in plaats van twee. Het maakte niets uit.
De schepping heeft veel meer kracht dan je denkt. Ik ben het zo blijven doen. Het scheelt de helft aan plantkosten en het duurt alleen iets
langer voordat je kan oogsten. Dat kan ik weer goedmaken door tussen twee rijen tomaten een rij andijvie of koolrabi te poten. Dat gaf reuze
kroppen en dat is gewoon gevonden geld".
Grond leeg laten liggen
"Na elke teelt laat ik de grond een maand leeg, zodat het de tijd heeft om te rotten. De grond wordt grof gespit om zo groot mogelijke kluiten
te krijgen. Dan droogt de grond beter en is hij beter te bewerken. Ik versnipper de resten van het oude gewas en spit het onder. Er komt geen
pond afval mijn bedrijf af.
Ik gebruik voor 95 procent organische mest, maar dat wil niet zeggen dat ik tegen chemische mest ben. Toen ik laatst te weinig kali in de
grond had, heb ik toch weer 12-10-18 gegeven. Ik gebruik verschillende soorten organische mest, oude stalmest, bolster of gecomposteerde
boomschors. Verder experimenteer ik nog met andere stoffen, zoals biovegetal, een bacteriemeststof om het rottingsproces aan te jagen. Ik
geloof er niet in, maar ik gebruik het al drie jaar. Ik experimenteer nu ook met fir, een soort klei dat ze in mestkelders gebruiken om de
ammoniak-emissie omlaag te brengen. Daar geloof ik ook niet in, maar ik probeer het gewoon. Je kan er ook het zink- en kobaltgehalte in
kippenmest mee neutraliseren en misschien helpt het ook tegen het wortelknobbelaaltje.
Dat de grond rust krijgt, heeft ook te maken met mijn arbeidsverdeling. Drie jaar geleden had ik een afdeling vol meloenen van uitstekende kwaliteit. Ik heb ze laten verzorgen en oogsten door hele
goeie mensen, maar ze brachten maar tachtig cent op. Dan kan je er maar beter wat minder hebben, zodat je zelf het werk aan kan en de grond
meer rust krijgt. Vorig jaar waren ze vier gulden.
Van de krulandijvie poot ik elke week twee kappen. Daardoor spreid ik mijn arbeid en straks ook het aanbod. Je moet nooit teveel tegelijk
aanbieden, want dan verpest je je eigen markt. Ik heb al zes jaar krulandijvie en dan leer je vanzelf wel dat je nooit meer dan twee kappen
tegelijk moet poten.
Het steekt veel mensen dat ik zomaar grond leeg laat liggen. Dat zijn ze hier niet gewend. Anderen zitten te springen om een stuk grond. Je kan
zeggen dat het onrendabel is om veel grond leeg te laten, maar je weet het gewoon niet. Ik heb vaak begrotingen zitten maken, maar ze klopten
van geen kant. Het is beter een goed wisselschema te maken en uit te gaan van wat goed is voor de grond en voor je eigen planning. Wat het
oplevert is dan gewoon meegenomen.
Op het stuk dat vorig jaar vijf maanden leeg lag, heb ik andijvie gezet die prachtig is geworden. Dat levert zeker zoveel op als gassen. Met
gassen ben je eerder klaar, maar dan is de rust weg, ook voor je eigen arbeid. Als ik die mooie andijvie zie staan, denk ik: Dit is toch een
leuke manier van werken.
Ze vragen vaak of mijn aanpak economisch haalbaar is. Ik kan daar niet goed op antwoorden. Toen ik begon, was ik zo verontwaardigd dat ik me
dat niet heb afgevraagd. Ik wilde gewoon laten zien dat het een verkeerde beslissing was. Ik moet er wél van leven en dat lukt. Het is
bewerkelijk, maar monocultuur kost ook veel. Mijn variabele kosten voor gas, mest, bestrijdingsmiddelen en dergelijke, zijn laag en mijn vaste
kosten ook, omdat ik een oud warenhuis heb. Algelopen jaar was niet rendabel, ik had een kleine winst, maar het jaar ervoor haalde ik een
daverende winst. Vorig jaar had ik ook weinig omzet, omdat ik veel tijd hebt besteed aan het benaderen van regering, ambtenaren en
beleidsmensen. Bovendien hadden andere tuinders ook problemen. Een ding weet ik zeker: waar een wil is, is een weg".
Geen druppel in de sloot
"Er komt geen druppel van mijn water op het oppervlaktewater terecht en doorspoelen van de grond doe ik ook al jaren niet meer. In 1991 begon
ik met de computer het drainwater te recirculeren. Het drainwater komt in de drainput en als ik water wil geven, mengt de computer dat met
water uit de vaart, zodanig dat de voedingswaarde juist goed is. Iemand van Hoogheemraadschap Delfland is laatst komen controleren of ik
inderdaad geen druppel in de sloot laat lopen. Een ander is nu ook begonnen het drainwater te recirculeren en nog iemand wil het gaan doen.
Als het warmer wordt, geef ik water via de drainbuizen. Van onderop dus, waardoor het gewas droog blijft en ik minder last heb van
schimmelaantasting. Een oude tuinder vertelde, dat ze dat in 1911 al deden, maar dat het water warmer moet zijn dan twaalf graden. Anders
vatten de wortels kou. Ik doe het daarom pas vanaf mei. Met peilmeters in de grond zorg ik dat het waterpeil automatisch zeven centimeter
boven de drainbuizen staat. Gisteren heb ik de sla vijf minuten water gegeven, maar ik heb er al weer spijt van. De planten hebben veel
wortels en de grond is heel opdrachtig.
In 1911 gaven ze ook mest door de drain, maar daar begin ik absoluut niet aan. Want je krijgt een ongunstige verdeling van de voeding.
Bovendien denk ik dat je voeding boven moet geven. Volgens mij hebben planten twee soorten wortels, om water te halen en om te eten. De eters
blijven bovenin en de waterhalers gaan naar beneden. Ik denk dat het zo zit, ik heb nooit gezien dat het anders was. Niemand heeft dat
onderzocht, maar het is een theorie die hout snijdt".
Grondontsmetting
"De grondontsmetting is een belangrijke reden waarom de overheid streeft naar teelt los van de grond. Ik doe nu al een paar jaar niet meer aan
chemische ontsmetting en ook niet aan stomen van de grond. Ik probeer dat door vruchtwisseling en door meer ruimte te laten tussen de teelten.
Prei heb ik expres geteeld om de grond schoon te maken.
Het kan natuurlijk misgaan, je gaat door tot je tegen de lamp loopt, bijvoorbeeld met knolaantasting in het gewas. Bij de sla heb ik al iets
gezien. We hebben een grotere kans op het bobbelbladvirus en op bladnecrose. In 1991 hebben we een hevige aanval gehad in de zware sla. Een
slasoort was voor 40 procent aangetast, een ander yoor l2 procent en nog een voor 5 procent. Methylbromide zou helpen, maar wij moeten met
natuurlijker middelen een weerbaarder plant krijgen.
Met oude teeltmethodes kan je veel problemen onder de knie krijgen. Ik teel nu zoals dertig jaar geleden, toen ik nog bij een baas werkte. Het
belangrijkste is licht in de winter. Als je in de winter minder licht hebt, hebben de planten minder weerstand. Soms moet je niet schermen, het glas schoon houden en niet te hoog in de temperatuur gaan zitten.
Bij tomaten is het enige probleem eigenlijk het wortelknobbelaaltje. Als je veel tomaten of paprika teelt, moet je stomen. Maar ik zou eerst
afrikaan laten groeien, twee maanden lang tot twee meter hoog. Dat helpt ook. Na die twee maanden ploeg ik het onder als groenbemester. Tot nu
toe heb ik het nog niet hoeven doen".
Tachtig vrachtwagens
"Een milieubalans tussen grondteelten en substraatteelten willen ze niet maken. Het LEI heeft jarenlang voor mij de tomaten produktie
nagelopen. Dat was tussen de 17 en de 20 kilo per meter in de periode van april tot september. Sommigen produceren nu makkelijk vijftig kilo
tomaten en ze zeggen dat dat nog ruim tweemaal zoveel kan worden. Maar voor welke prijs kan dat? Een buurman met een groot bedrijf vertelde
laatst dat hij vroeger één vrachtwagen afval had, maar tegenwoordig tachtig! Hij zei dat hij bang was dat hij straks moet stoppen met telen op
substraat, omdat het àfvoeren van afval zo veel duurder wordt. Wat is nou schoner voor het milieu, methylen of tachtig vrachtwagens afval? Ze
verleggen het probleem gewoon naar ergens anders.
Het is niet goed dat voor grondteelten niks meer wordt ontwikkeld. Ze doen bemestingsproeven, maar ín de grond kijken ze niet. Ze zeggen dat
ze nu weer meer aan grondteelten doen, maar het blijft summier. Ze zouden eens moeten uitzoeken hoe grond reageert op bacteriemest, en op fir
en op organische mest. Ik zou willen weten hóe de fixatie is van meststoffen van organische mest vergeleken met de chemische mest. En dat moet
gekoppeld worden aan de houdbaarheid van de groenten. De houdbaarheid is bij rustig geteelde gewassen anders dan bij snelle gewassen. De
houdbaarheid verschilt ook bij organische of bij chemische bemesting.
Ze onderzoeken nu alleen hoe weinig mest je kan gebruiken en dat is dit jaar behoorlijk misgegaan. We zijn weggestuurd op een laag
bemestingsniveau".
Ze moeten me met tanks weghalen
"Officieel zeggen ze nu dat de gewassenlijst verdwenen is, maar ik vertrouw ze voor geen cent. Ze zitten bij de waterschappen nog steeds die
kant op te wroeten. Daarom teel ik expres tomaten in de grond en expres paprika's en ik wil ook komkommers gaan telen. Om te bewijzen dat dat
superschoon kan. Ze praten nu al anders over grondteelten dan twee jaar geleden, maar de beleidsnotas zijn nog niet bijgesteld. ik zal blijven
dwarsliggen tot die beleidsteksten verdwenen zijn.
Het is hier nu een komen en gaan van journalisten, beleidsmensen en deskundigen. Dat moet ook, want de grondteelt moet behouden blijven. Ik ga
echt niet de grond uit, dan zullen ze me toch met tanks van het bedrijf moeten halen. Sommige collega's denken dat ik me druk maak voor niks,
omdat je beleidsmakers toch niet tegenhoudt.
Maar ik ga ervan uit dat telen in de grond mogelijk zal blijven. Ik besteed er veel aandacht aan, maar niet om mezelf op te offeren. Als ik het
niet deed, zou ik er later spijt van hebben: Had ik toen maar meer aan de bel getrokken. Veel collega's komen er niet aan toe. Ze moeten altijd
hun dagproduktie halen. Er zijn er niet veel die zomaar een dag weg kunnen. Ik ben nu op de goeie weg en ik vertrouw er nog steeds op dat ik
het niet alleen hoef te doen en dat de Schepper mij helpt. Ik hoop dat collega's wat kunnen oppikken van mijn manier van werken. We zijn als
tuinbouw met een aantal dingen te ver doorgeschoten. We moeten beslist een andere weg inslaan, ieder op zijn eigen wijze."