6. GEWASBESCHERMING.
Zoals er per bedrijfsstijl verschillend gedacht wordt over gesloten systemen, zo geldt dat ook voor de toepassing van
gewasbeschermingsmiddelen. Iedereen is het erover eens dat de problemen moeten worden aangepakt. De toppers zoeken het vooral in de
biologische bestrijding en in de toepassing van een aantal technische hulpmiddelen. Echte tuinders experimenteren ook met biologische
bestrijding maar leggen daarop minder het accent. Zij noemen andere mogelijkheden zoals minder middelen gebruiken, genoegen nemen met
een lagere produktie of betere vruchtwisseling.
6.1. Biologische bestrijding.
Allereerst moeten we vaststellen dat biologische bestrijding vooral plaatsvindt in vruchtgroenteteelten, omdat daarbij de vruchten
worden geoogst en de planten in de kas blijven. De belagers van de schadelijke insecten blijven derhalve in de kas, terwijl zij in de
bloementeelt of in de teelt van bladgroenten met de oogst uit de kas verdwijnen en dan nieuw moeten worden gekocht. Bovendien zijn de
normen voor toegestane hoeveelheden chemische resten in de groenten scherper dan in de bloementeelten. De bloementeelten hebben juist
te kampen met strenge eisen tegen de aanwezigheid van beestjes, de nultolerantie.
Biologische bestrijding is iets waar vooral de toppers zich mee bezig houden. Dat wil niet zeggen dat andere tuinders er minder aan
doen; het verschil is relatief. De toppers houden zich er meer dan anderen mee bezig, ze verdiepen zich er meer in en ze steken er
meer geld in om het verder te ontwikkelen. Er zijn verschillende redenen waarom de toppers zich zo intensief bezighouden met
biologische bestrijding. Ten
eerste geven veel tuinders toe dat in het verleden te makkelijk gespoten werd. Men wil dat veranderen,
temeer omdat het niet gezond is voor tuinder en personeel.
Als je maar een diertje zag, dan begon je gelijk te spuiten. Een fles parathion kostte vroeger 12 gulden en dan nam je gewoon een
scheut. DDT was een zegen, daar heb ik lang mee gewerkt; soms was ik er helemaal wit van.
Een ander vult aan:
We spuiten nu veel minder dan vroeger. Eigenlijk leek dat nergens op. Iedere week waren we chemisch aan het bestrijden of het nou
tegen witte vlieg was of tegen de mineervlieg of tegen de wortelduizendpoot.
Chemische bestrijding vindt nog steeds plaats, maar dat vindt men toch niet prettig.
Gewasbescherming in chrysanten is een probleem. We hebben vooral last van trips en mineervlieg. Op warme dagen in de zomer gaat
het zo snel dat je wel twee keer per week aan de gang bent. Dat stuit me zwaar tegen de borst. Niemand zal graag chemisch ingrijpen,
want je moet het zelf inbrengen en je moet er zelf in werken.
Velen zien in dat bestrijding ongezond werk is en hebben al het nodige gedaan om de hoeveelheid bestrijding terug te brengen.
Ik gebruik nu veel minder dan vroeger. Bij de meloenen maximaal 10% van vroeger en bij de radijzen maximaal 30% of eerder 20%.
Door de Low Volume Mist (die hele kleine druppeltjes) alleen al is 30% van wat je vroeger spoot voldoende.
Een
tweede argument voor de toppers om biologische bestrijding toe te passen is het feit dat chemische bestrijding ongunstig
is voor de produktie. Chemische bestrijding heeft een negatief effect op de planten en om een topproduktie te halen moet je dat
vermijden. De biologische bestrijding past wat dat betreft precies in de doelstellingen van de toppers. Zo zegt een typische topper:
"Een goeie gewasbescherming scheelt toch al gauw een paar komkommers en daar streven we allemaal naar".
Een negatief effect van chemisch bestrijden op de planten kan bijvoorbeeld zijn dat planten wel groeien, maar dat bloemen al tijdens
de bloei afvallen en dus geen vruchten krijgen. "Als eenmaal het evenwicht weg is, dan komt dat het hele jaar niet meer in orde",
zegt een tuinder daarover. Een ander vult aan:
Biologische bestrijding zorgt ervoor dat je veel minder chemisch hoeft te bestrijden en het is bovendien produktieverhogend.
Spuiten, LVM of nevelen is nooit goed en topproduktie haal je alleen als je dat niet doet. Want je moet zorgen dat het gewas zo min
mogelijk schokken te verduren krijgt.
Chemisch ingrijpen kan schadelijk zijn voor hommels (of bijen) die moeten zorgen voor de bevruchting en kan ook schadelijk zijn voor
de belagers van de schadelijke insecten. Als die óók gedood worden, is de biologische bestrijding verstoord. Op dit moment wordt er
naarstig gezocht naar middelen die selectief werken: die de schadelijke beestjes doden maar de rest in leven laten. De biologische
bestrijding kan dan worden voortgezet.
Een
derde reden waarom de biologische bestrijding vooral wordt toegepast door de toppers, is dat de ontwikkeling ervan het verst
is in de "grote" gewassen, de gewassen die in de grootste hoeveelheden op de veiling worden aangevoerd en die door de toppers worden
geproduceerd. Het onderzoek voor deze teelten is het meest rendabel en het wekt geen verbazing dat biologische bestrijding het verst
gevorderd is in het Zuidhollands glasdistrict, waar het al op twee©derde van de bedrijven wordt toegepast. Het feit dat biologische
bestrijding relatief duur is in vergelijking met chemische bestrijding is voor de toppers geen bezwaar; meer dan andere tuinders zijn
zij gewend aan het maken van kosten.
Voor de toppers is biologische bestrijding een onderdeel van de technologie-ontwikkeling. Met name de groentebedrijven zijn al ver
gevorderd; de meeste bedrijven beginnen in ieder geval met biologische bestrijding en er is alleen een aanzienlijk verschil in hoelang
men de biologische bestrijding volhoudt. Er zijn niet veel bedrijven die het volhouden tot het eind van het seizoen; de ziekte druk
wordt groter naarmate het weer warmer wordt. Overstappen op chemische bestrijding is een grote stap. Want zodra men fors moet
ingrijpen tegen een infectie, doodt men ook de biologische bestrijders en opnieuw biologisch beginnen is erg duur. Het vinden van het
juiste evenwicht is opnieuw afhankelijk van de stijl van de tuinder. Typisch is dat de volgende middenmoter wacht met chemisch
ingrijpen om kosten te besparen:
Je wacht zo lang mogelijk met chemisch ingrijpen. Als je te laat ingrijpt, dan kan het je een paar gulden per meter kosten, maar
aan de andere kant is spuiten toch ook duur.
Terwijl de topper de biologische bestrijding ziet als een middel om een hoge produktie te halen, denkt deze tuinder aan de kosten en
neemt hij op de koop toe dat de produktie lager wordt.
Een topper legt uit waarom hij moeite doet om biologische bestrijding te ontwikkelen. Hij beschouwt het als een investering die zich
op den duur zal gaan terugbetalen.
Als ik het economisch zou bekijken zou ik à la minute stoppen met biologische bestrijding, maar voor de toekomst is het een goede
zaak. Vorig jaar gaf ik één gulden uit aan biologische bestrijding en nog eens zeventig cent chemisch. De chemici komen op
80 à 90 cent, dus ik ben twee keer zo duur uit. Anderen zouden al veel eerder zeggen: "Ik spuit wel". Maar je kan toch niet zeggen
dat alle teelten biologisch beschermd moeten worden, behalve de komkommers? Je moet het tóch leren; het ging zo met spint en zo moet
het ook met trips. Als niet voldoende mensen trips proberen te bestrijden, dan lukt het nooit. Volgend jaar gaan we het weer anders
proberen dan dit jaar. Op een gegeven moment moet het lukken. We zoeken naar het juiste beestje. Als je het goed doet, haal je met
biologische bestrijding hogere opbrengsten.
De biologische bestrijding verschilt per teelt. In sommige teelten is biologische bestrijding eenvoudiger dan in andere. Bij tomaten
is het eenvoudiger omdat de temperaturen in een tomatenkas lager zijn, waardoor het klimaat voor schadelijke insecten ongunstiger is.
Komkommers en aubergines zijn met name erg gevoelig voor plagen en in deze teelten is bestrijding in het algemeen moeilijker dus de
biologische evenzeer.
Het meest wordt gespoten in de komkommers en de aubergines. Daar moeten ze elke week spuiten. Zoiets als trips is niet biologisch te
bestrijden. Dat ze nu twee teelten per jaar hebben bij de komkommers, komt door de trips. Vroeger teelden ze maar één keer per jaar.
Misschien heeft het ermee te maken dat aubergines nog een jonge teelt zijn, ongeveer tien jaar oud, terwijl tomaten al ruim veertig
jaar geteeld worden. Wij hebben in de kas een paar aubergineplanten staan en áls er in de kas eens wat beestjes zitten dan zitten ze
in ieder geval dáár.
Die verschillen zijn er ook tussen soorten bloemen.
Biologische bestrijding zou nog niet kunnen in de teelt van Celosia. De temperatuur is hier heerlijk voor luizen. Met Statice
heb ik geen problemen. Een keer heb ik rookpotjes neergezet en dat was genoeg.
Opletten.
Om met succes biologisch te bestrijden, is goed opletten noodzakelijk. Een tuinder moet zien dat er bepaalde aantasting is en moet
weten welke beestjes de natuurlijke vijanden zijn en hoeveel er daarvan nodig zijn. Het is de kunst het evenwicht te handhaven. "Die
beestjes zijn zó klein en ze lijken erg op elkaar", zegt een tuinder daarover. Je moet de beestjes herkennen en je moet weten hoe snel
verschillende beestjes zich vermenigvuldigen onder welke omstandigheden. "Als het koud blijft, ontwikkelt de witte vlieg zich sneller
dan de sluipwesp, dus dan moet ik ingrijpen" zegt een tuinder die daarmee aangeeft dat het succes van biologische bestrijding mede
afhankelijk is van de omstandigheden en van de omgeving.
Het scheelt als je insecten eerder opmerkt. De ergsten zijn spint, 't wit, witte vlieg en de mineervlieg. Laatst bij een rondgang
kwamen we in de kas van een collega waar ik 't wit zag. Toen ik erover vroeg had hij die nog niet opgemerkt. Bij sommigen moeten er
eerst tien planten geel zijn, voordat zij het in de gaten hebben.
Als een ziekte zich nog maar juist begint te ontwikkelen, is er meestal nog wel wat aan te doen. Op de betreffende plek kan men
bestrijders neerzetten die een verdere ontwikkelig van de populatie kunnen tegenhouden. Degenen die ziekten te laat onderkennen,
moeten het meest spuiten.
Wij hebben het nu zo geregeld dat we elke week de hele kap een keer doorgelopen hebben voor controle. Als we zien dat op een plek
erg veel roofmijt bij elkaar zit, dan plukken we daar wat blaadjes weg om ze neer te zetten op plekken waar weinig zit.
Een tuinder moet dus goed opletten en soms kan het mislopen wanneer hij het druk heeft met andere werkzaamheden of als het personeel
wel iets merkt maar dat niet doorgeeft.
Als een infectie zich tóch ontwikkelt moet je erg opletten en dat kan behoorlijk zenuwslopend zijn.
Beestje a, b, c, d en e kan je met biologische bestrijding onder controle houden, maar er is altijd een beestje f waarmee je geen
raad weet. Bij ons was de katoenluis beestje f. Die hebben we onder controle gekregen door stalen zenuwen en door rustig nadenken.
Anderen zouden het niet meer hebben aangedurfd, maar we zijn blijven tellen en het was bij ons duidelijk de aanhouder die won. Een
vertegenwoordiger van Koppert vertelde later dat hij met het koude zweet in zijn handen door het warenhuis was gelopen. Hij telde
weinig avididis, de natuurlijke vijand van de katoenluis, maar ik wist dat die toch heel snel toenam en vertrouwde erop dat ze het
zouden redden. Als het was misgegaan dan zou de produktie mis zijn gegaan en dat moet je dan maar zien als researchkosten.
Chemisch bijsturen.
Bijsturen moet kunnen en daarvoor heb je de juiste middelen nodig.
Er zijn middelen die heel onschadelijk zijn en die je eigenlijk zo op je boterham zou kunnen eten. Die kunnen ervoor zorgen dat telers
de biologische bestrijding tot op het eind volhouden. De helft stopt in de loop van het seizoen met de biologische bestrijding en met
vertimec zou dat teruglopen tot tien, twintig procent. Het is nog niet toegelaten omdat iemand beweert dat je er kanker van krijgt,
maar in de VS is het toegestaan en daar zijn ze meestal veel strenger dan hier.
Als het misgaat, moet je bijsturen. We zien dan ook dat biologische bestrijding chemische bestrijding niet uitsluit; ze liggen vaak
in elkaars verlengde. Op bepaalde momenten is de ene manier het best is en op bepaalde momenten de andere. Biologische bestrijding
betekent niet altijd minder bestrijding. Men begint met biologische bestrijding en men gaat voort met chemische bestrijding. Sommigen
betwijfelen zelfs of er nu veel minder gespoten wordt dan vroeger:
Vroeger werd er veel gespoten, maar ook nu nog wel, want er duiken nu kwalen op die we vroeger niet kenden. Vroeger had je
bijvoorbeeld geen witte vlieg. Er waren andere ziektes die anders bestreden moesten worden. De tegenwoordige rassen zijn bijvoorbeeld
resistent gemaakt tegen valse meeldauw.
Het verschil dat wij in het eerste hoofdstuk maakten tussen de toppers en rauwdouwers is op dit punt ook van belang. Biologische
bestrijding is belangrijk om een topproduktie te halen, maar er zijn tuinders die een topproduktie niet de hoogste prioriteit vinden,
die een afweging maken en de makkelijkste oplossing kiezen. Een tuinder vertelt dat er al veel meer wordt gecontroleerd en wordt
opgelet door de tuinders, maar dat er toch altijd mensen zijn die proberen door de mazen van het net te glippen. "In het verkeer heb
je ook nog mensen die 200 kilometer rijden". Op dit punt wordt soms onderling nog wel opgeschept.
Iedereen weet dat er behoorlijk scherp gecontroleerd wordt. De A.I.D. kan elk moment op het bedrijf langskomen voor inspectie.
Er is daardoor al een behoorlijke discipline bij de tuinders, maar waaghalzen heb je natuurlijk in elke sector.
Een topper maakt ook een onderscheid tussen zijn eigen bedrijf en andere grote bedrijven die meer bestrijden en die ook wel
rauwdouwers genoemd worden.
Een kleine tuinder kan adekwater reageren als er ziektes zijn. Grote bedrijven moeten vaak rigoreuzer optreden bij infecties. Als
zij fusarium hebben, moeten ze gelijk 5 hectare spuiten. Er zijn van die grote kassen waar je met stofjassen moet lopen en waar ze
al in februari aan het spuiten zijn. Daar wordt je toch gek van.
Aldus een topper met een bedrijf van gemiddelde omvang. Een paprikateler bevestigt dit:
Op een groot bedrijf doen ze het nog anders: Daar zeggen ze, "Geef maar twee liter parathion, dat is veel goedkoper". Een groter
bedrijf hoeft niet zo nauw te kijken want daar doen anderen het werk in de kas. Ik zal niet zeggen dat grote bedrijven in alle
gevallen meer spuiten dan ik. Want er zijn er ook die speciaal een mannetje hebben aangenomen om te letten op plagen. Die kunnen het
wel in de hand houden, maar meestal spuiten ze meer.
Meer spuiten op grote bedrijven kan nodig zijn, ten eerste omdat personeelsleden niet altijd doorgeven wanneer zij een begin van
aantasting zien en ten tweede omdat men niet het risico wil lopen dat het uit de hand loopt.
Er kan ook nog druk van buiten worden uitgeoefend om niet te veel risico te nemen, met andere woorden, soms wordt van buitenaf
aangeraden om de zekerste weg te nemen via chemische bestrijding.
Of er zoveel biologische bestrijding toegepast wordt, is eigenlijk een beetje de vraag. Als er streepjes in je komkommers zitten en
op de veiling zeggen ze: "Ga ze er maar uithalen", dan láát je dat wel op bepaald moment. Terwijl je net probeert om de biologische
bestrijding vol te houden. Het kan ook dat de bank erachter komt; als zij ontdekken dat je teveel binnenlanders hebt, zeggen ze meteen:
"Stop daar eens mee". Degenen die minder zwaar zitten, kunnen zich wat dat betreft meer veroorloven.
Sommige tuinders spreken het vermoeden uit dat de grotere tuinders meer chemisch ingrijpen, maar we moeten voorzichtig zijn met
conclusies. Zoals eerder al aangegeven kan de grootte van een bedrijf ook een reden zijn om extra alert te zijn met de biologische
bestrijding (speciaal een mannetje aannemen, zoals een van de sprekers zei), omdat het risico groter is. Op dit punt kan nader
onderzoek derhalve van belang zijn.
Overigens zoeken de toppers ook andere methoden om minder te hoeven bestrijden (chemisch of biologisch), maar typerend is dan weer
dat zij de neiging hebben technologische alternativen te zoeken. Zo noemen zij de ontwikkeling van resistente rassen voor bladgroenten
(technieken die buiten het eigen bedrijf ontwikkeld moeten worden), of de mogelijkheid gaas te spannen voor de luchtramen.
Je zou natuurlijk gaas voor de luchtramen kunnen plaatsen, maar dat kost twee gulden de meter, terwijl bestrijding nu nog 1 gulden
de meter kost. En ook met gaas moet je nog bestrijden zodat de kosten misschien teruglopen van 1 gulden naar 75 cent.
Een ander heeft een spuitrobot aangeschaft omdat de LVM-installatie als ongunstig neveneffect heeft dat veel bestrijdingsmiddelen via
de lucht buiten de kassen terecht komen.
Een LVM-installatie heb ik nooit genomen omdat ik steeds bang ben geweest dat ze die zouden verbieden. Als je die gebruikt moet je
veel luchten, want die gassen moeten de kas weer uit voordat je er aan het werk kunt. Het werkt als een trein en iedereen wil die
dingen tegenwoor dig. LVM is voor het werk veel aantrekkelijker, omdat je in een half uur klaar bent terwijl ik een paar uur bezig
ben.
Typisch is ook de volgende uitspraak van een middenmoter. Terwijl een topper alternatieven zoekt in de inzet van meer en betere
technische hulpmiddelen, beseft deze spreker dat inzet van meer arbeid ook een mogelijkheid biedt. Uiteindelijk maakt hij een
berekening en besluit dan toch maar om het niet te doen.
Er zijn wel mogelijkheden om minder te bestrijden, maar dat vraagt dan meer arbeid. Onkruid wieden is bijvoorbeeld extra werk en
je kan kiezen of je gaat schoffelen of spuiten. Schoffelen is duurder dus dat doe je niet. Als arbeid goedkoper was, of als de
loonbelasting lager was dan hoefde je minder te spuiten. Als we kartamus zaaien, kunnen we kiezen tussen licht schoffelen en wieden
of de grond ontsmetten en het wordt dus dat laatste. Ik moet toch ook op de rentabiliteit letten. Schoffelen betekent 300 uur extra
werk. Als je de moeite neemt om de gewassen vaker te controleren op insecten, zou je beter weten of je moet spuiten en zou je minder
hoeven spuiten. Maar die arbeid stop je er gewoon niet in.
6.2. Minder spuiten.
De ‘echte tuinders’ passen in een aantal gevallen ook biologische bestrijding toe, maar volgen ook andere methoden om schade te
beperken. Biologische bestrijding is één van de mogelijkheden naast andere. Er bestaat een beeld dat met name telen in de grond
verontreiniging van bodem en van oppervlaktewater met zich mee brengt. Dit beeld moet genuanceerd worden omdat het geen recht doet
aan de mogelijkheden die de grondtelers, of de 'echte' tuinders, zien om bestaande praktijken te verbeteren. De 'echte tuinders'
vinden in ieder geval niet dat zij de ergsten zijn en kritiseren de praktijken van de toppers.
Sommigen zijn verslaafd aan spuiten. Een neef van mij zit in de biologische bestrijding. Zij helpen tuinders met biologische
bestrijding, ze komen elke week kijken en geven dan de garantie dat schade zal worden vergoed. De tuinder moet dan wel alles aan hun
overlaten. Maar zodra ze een paar beestjes zien, gaan ze weer spuiten en dan is het natuurlijk ook gedaan met de biologische
bestrijding. Terwijl mijn neef de garantie had gegeven dat hij alle schade zou vergoeden als het mis ging!
Een ander vindt dat de 'toppers' maar hun gang gaan en dat het hun ook veel te makkelijk is om chemisch te bestrijden.
Voor substraattelers is chemische bestrijding eenvoudiger dan in de grond. Alles kan gewoon mee met het water, via de A- en de
B-bak. Heb je last van spint? Gewoon dat en dat er bij en je hebt nergens meer last van.
De echte tuinders volgen een andere redenering dan de toppers en gebruiken argumenten die logisch voortvloeien uit de logica die wij
eerder bespraken. Typisch is het argument dat je gewoon minder middelen kan gebruiken dan wordt aangeraden. Het is typisch omdat de
'echte' tuinders de neiging hebben hun kostenniveau te reduceren. Enkele voorbeelden kunnen dit illustreren.
Middelen tegenwoordig kosten soms wel 240 gulden per fles. Ik denk dat je 20% van de middelen niet zou kunnen missen. Je kan wel
minder gebruiken dan wat de fabriekanten zeggen, die zullen eerder zeggen dat je veel moet spuiten.
Een andere typisch argument is van een tuinder die minder stookt, waardoor de temperatuur voor parasyten ongunstiger is en bestrijding
dus beperkt kan blijven.
We hebben in november de courgettes geplant en tot nu toe hebben we nog niet hoeven spuiten. Er zit een klein beetje witte vlieg
maar dat is zo weinig dat het geen kwaad kan. In ons voordeel is dat wij een voornachttemperatuur hebben van 12 graden en daar
schijnen ze niet goed tegen te kunnen. Wij stoken minder dan anderen.
Vergelijkbaar is ook de mogelijkheid die ge-opperd wordt om minder te bestrijden en te wachten tot een plaag overgaat. Mits de plaag
niet uit de hand loopt, biedt dat een goeie mogelijkheid. De produktie zal er iets door teruglopen, maar dat is voor 'echte' tuinders
minder een probleem dan voor de toppers. Meerdere uitspraken onderstrepen deze mogelijkheid.
Je kan zien dat er hier nogal wat mineervliegjes zitten. Wat dat betreft zijn andere bedrijven veel kritischer dan ik. Het is dit
jaar een beetje uit de hand gelopen, maar ik ga ervan uit dat het vanzelf wel weer in evenwicht komt. In de courgettes heb ik vrij
veel trips, maar dat is ieder jaar in deze tijd zo en in de zomer groeien de planten er toch doorheen. Van nature is er in de kas
altijd al roofwants aanwezig en dan hoef ik niet veel bij te sturen. Het gevolg van de trips is dat de produktie lager wordt, de
planten groeien minder. Meestal komt het toch vanzelf goed, als je dingen aan de natuur overlaat. Zodra je gaat spuiten is alles
ineens weg, ook de beestjes die je kunnen helpen.
Dit is een uitspraak van een biologische tuinder die niet mág spuiten en dus gedwongen is genoegen te nemen met meer uitval. Zijn
voorbeeld maakt wel duidelijk dat een lagere produktie niet rampzalig hoeft te zijn. Er zijn ook andere echte tuinders, die niet
biologisch telen die een vergelijkbare redenering volgen.
In de zomer snijden we geen bloemen en dan laten we de planten met rust. Ze slaan dan soms geel uit van de spint, maar daar doen
we niets aan want dat gaat wel weer over. Roofmijt is de natuurlijke vijand van spint en die zit ook in de planten. Wij spuiten zo
min mogelijk. Anderen met dezelfde teelt spuiten wel. Mijn vader heeft daar altijd al een hekel aan gehad. Bestrijden is nog duur ook;
de kosten zijn al gauw een gulden per meter en kunnen oplopen tot 3 gulden per meter.
Een groenteteler vult aan:
Toen ik meloenen pootte stikte het hier van de nerfmineervlieg. Dat is een zwakteparasiet. Ik heb er niks aan gedaan en hij is
toch gewoon verdwenen. Collega's grijpen meteen naar allerlei middelen. Met tomaten is het van hetzelfde laken een pak. Als je dertig
procent poppen hebt dan moet je er niks meer aan doen, dan gaat het vanzelf wel weer over.
Een ander argument hangt samen met het feit dat sommige tuinders werken in oudere kassen met afdelingen. Die afdelingen hebben als
voordeel dat bestrijding per afdeling kan worden aangepakt en dat spuiten nooit in het hele bedrijf tegelijk hoeft te geschieden.
Bovendien is er het 'regionale' argument, dat bestrijding belangrijker is in gebieden waar de tuinbouw sterk is geconcentreerd zoals
in het Westland, waar veel 'toppers' zitten. Buiten die gebieden is de ziektedruk minder groot en is minder bestrijding nodig.
Biologische tuinders noemen nog andere mogelijkheden omdat zij proberen op zoveel mogelijk manieren de infectiedruk te verminderen.
Het pad bij de komkommers houd ik met planten bedekt. Daardoor blijft het koeler in de buurt van het pad. Dat doe ik, omdat ik
altijd in de buurt van het pad de eerste narigheid vind.
Een andere biologische tuinder zou wat meer achter de hand willen hebben om te kunnen ingrijpen tegen plagen en noemt verschillende
mogelijkheden. In de wereld van de biologisch-dynamische tuinbouw zouden misschien wat meer openingen moeten zijn in die richting.
Het biologisch dynamisch circuit is een gemêleerd gezelschap en ik denk dat ik over het algemeen wat progressiever ben dan de
meesten. Misschien moeten we ons nog eens bezinnen. Pyrethium is luisdodend en komt ook in de natuur voor. Is het erg als het
kunstmatig gemaakt is? Een andere mogelijkheid is bepaalde schimmels te gebruiken voor insectenbestrijding, hoe sta je daar tegenover?
Ook zijn er discussies over stomen en over diepvriezen: is dat nog biologisch?
Er zijn meer bestrijdingsmethoden die biologisch zijn. Een tuinder noemt het plaatsen van koolmezenhokjes omdat hij ontdekte dat
koolmezen voortdurend heen en weer vlogen tussen het nest en een plek in de kas waar luis geconcentreerd was. "Het is gewoon een
kwestie van je ogen open houden", vult hij aan. Dezelfde tuinder plaatste nestjes oorwurmen tegen spint, legde takkenbossen neer voor
egels die muizen uit de kas moeten houden en noemt ten slotte het stuiven met lavameel. Dat geeft een fijn stof dat de poriën van de
luis afsluit.
Een laatste mogelijkheid die we willen noemen is de mogelijkheid om geënte planten te gebruiken, die minder gevoelig zijn voor
schimmels in de bodem. Ontsmetting kan daarmee vermeden worden. Uiteraard is ook dit een methode die alleen toepasbaar is voor telers
in de grond, voor de 'echte' tuinders derhalve. Samenvattend kunnen we zeggen dat wat betreft de toepassing van
gewasbeschermingsmiddelen de aanpak per bedrijfsstijl verschillend is. Men kan niet zeggen dat de ene groep tuinders de
milieuproblemen niet serieus aanpakt en de andere wél. Het accent ligt verschillend. De toppers zoeken het vooral in de biologische
bestrijding. Biologische bestrijding is duur, maar kan tot een hogere produktie leiden omdat chemische bestrijding vrijwel steeds
negatieve bijeffecten heeft. De toppers investeren in die richting en zijn ook bereid hoge kosten te maken ten behoeve van verder
onderzoek.
'Echte' tuinders experimenteren ook met biologische bestrijding, maar ligt bij hun minder het accent. Zij noemen andere mogelijkheden
zoals bezuinigen op het gebruik van middelen, genoegen nemen met een hoger percentage uitval door ziektes, inzet van arbeid als
vervanging van bestrijdingsmiddelen of betere vruchtwisseling teneinde grondontsmetting minder noodzakelijk te maken.