Toppers en tuinders

door Ir J.H.Spaan en Dr ir J.D.van der Ploeg




5. TUSSEN GROND EN SUBSTRAAT.


Telen op substraat is in de glastuinbouw al ver doorgevoerd. In de groentesec­tor vindt meer dan de helft van de produktie plaats op substraat en in de bloementeelt ruim een-vijfde deel. Telen op substraat betekent dat bloemen en groenten niet groeien in de grond, maar op een kunstmatig groeimedium. Er zijn verschillende soorten substraat. Steenwol is de meest gebruikte maar ook kleikorrels of schuimrubber worden als zodanig gebruikt. Substraat betekent letterlijk ondergrond of voedingsbodem en eigenlijk is telen in de grond dus ook telen op substraat. In het spraakgebruik wordt het zo niet bedoeld. Telen op substraat is telen los van de ondergrond, waarbij het substraat niet dient als voedingsbodem, maar als middel om de wortels houvast te geven en vochtig te houden. Het substraat bevat in principe geen voedingsstoffen. De voedingsstoffen worden opgelost in water en zo aan de planten toegediend. Telen op substraat wordt door deskundigen gezien als een stap op weg naar telen op water, los van welk medium dan ook. Zij gaan ervan uit dat over tien jaar veel teelten op water zullen plaatsvinden: de planten worden dan op een of andere manier vastgehouden en hebben hun wortels los hangen in een goot waarlangs permanent of met tussenpozen water met voedingstoffen wordt geleid. Deze deskundigen praten liever niet over telen op substraat, maar over telen los van de grond.

Veel glasgroenten (paprika, komkommer, tomaten, courgettes, meloenen) worden nu geteeld op repen steenwol van één meter lengte en 15 cm breedte, waarop twee of drie planten staan. De reep steenwol is verpakt in plastic en met druppelaars worden water en voedingsstoffen toegediend. Wanneer de planten een deel van de voedingsstoffen hebben opgebruikt, moet nieuw voedingswater worden toegediend en vloeit het oude weg via gaatjes in het plastic. De reep steenwol bevat een buffervoorraad voedingswater en zodra watergeef-systemen betrouwbaar genoeg zijn, kan die reep steenwol worden afgeschaft. Op den duur zal dan bijvoorbeeld een tomatenplant van twaalf meter lengte kunnen groeien in een klein potje met een doorsnee van 15 centimeter.
Een van de belangrijke problemen in de glastuinbouw op dit moment is, dat op de meeste bedrijven het overvloedige water, de zogenaamde overdrain, weg­vloeit in de ondergrond of in de sloot. Recirculatie, waarbij het wegvloeiende voedingswater wordt opgevangen en hergebruikt, zou een aanzienlijke beper­king van de uitspoeling van meststoffen kunnen opleveren.

5.1. Substraat als technologische vernieuwing

Hogere produktie.
Dat de introductie van teelt op substraat in de glastuinbouw aanvankelijk verbazing en weerstanden opriep, is algemeen bekend. Die bezwaren werden minder toen bleek dat telen op substraat een produktieverhoging opleverde die de kosten ruim goed maakte. Voor de 'toppers' werd de discussie daarmee tamelijk simpel. Zij schakelden over op substraatteelt omdat het voordeliger was. Zo zegt een paprikateler:

In het begin waren er veel bezwaren maar die zijn weggeëbd. Principes gaan gauw over als het geld kost. Ik vond substraat eerst ook onzin, omdat telen in de grond prima ging, maar ik ben overgestapt toen het 25% bleek te schelen.


Een tomatenteler vertelt dat zijn produktie bij de overgang op substraat omhoog ging met gemiddeld 12 kilo per meter, dat is een produktieverhoging van ruim 25 procent. Een paprikateler vertelt dat substraat 3 kilo per meter meer oplevert, een verhoging van tien tot vijftien procent. Met een gemiddelde prijs van f3,50 per kilo scheelt dat op een bedrijf van 1 hectare dus ruim 100.000 gulden. Voor wie bij de top wil horen is substraat dus onmisbaar. "Qua kilo's kan je niet meer telen in de grond", aldus een van de toppers.
De produktieverhoging is mogelijk doordat men de toediening van voedings­stoffen nauwkeurig kan afstemmen op de behoeften van de plant en doordat men de grond niet meer behoeft te ontsmetten wat vroeger vier tot zes weken tijd kostte; in die tijd kan nu de produktie doorgaan. De resultaten van teelt op substraat waren temeer positief, omdat men aanvankelijk weinig last had van plagen. Voor wie overschakelde was daarmee de discussie over voor- ennadelen van substraat minder relevant geworden.

De discussie blijft actueel voor degenen die nog steeds in de grond telen. Zij betwijfelen of de produktie op steenwol hoger is dan in de grond. Iemand die in de zomer en in het najaar paprika teelt, is het meest stellig in zijn ontken­ning. Teelt van paprika's in de grond hoeft geen lagere kilo-opbrengst per jaar te geven.

Nee dat is pertinent niet waar. Bij tomaten en komkommers scheelt het, maar ik blijf volhouden dat het voor paprika niet uitmaakt. In Zwijndrecht is een paprika­teler die jaarrond in de grond teelt. Hij stoomt ieder jaar en poot in december nieuwe planten. Hij kan heel goed mee komen in de bedrijfsvergelijkingen.


Dit wordt min of meer bevestigd door een paprikateler op substraat, die zegt dat er telers zijn die in de grond meer produceren dan substraattelers. Voor hem zijn dit echter de uitzonderingen die de regel bevestigen.
De echte tuinders ontkennen niet dat teelt op substraat meer kilo's kan opleveren, maar vinden teelt in de grond haalbaar omdat de kosten lager zijn. Iemand met een gemengd bedrijf met bloemen en groenten zegt volgend jaar komkommers te willen telen. Volgens hem zijn tomaten in de grond niet meer rendabel te telen, maar komkommers nog wel. Hij voegt daaraan een argu­ment toe, waarop we later dieper zullen ingaan:

We blijven in ieder geval telen in de grond, want anders wordt het allemaal te kunstmatig en dat trekt me niet aan.


Een andere echte tuinder vindt overigens dat ook tomaten in de grond nog kunnen worden geteeld.

Tomaten in de grond geven een kilo-opbrengst die soms nog wel hoger is dan op steenwol, maar in totaal is de opbrengst lager omdat de teelt korter duurt. Die gasten op steenwol halen misschien wel een hogere omzet, maar dat zegt mij niks. Met de prijzen van het afgelopen jaar zijn tomaten in de grond nog best te doen.


Hij wijst hierbij tevens op de risico's die subtraattelers gelopen hebben en straks misschien weer lopen:

Acht, negen jaar geleden, toen de gasprijs opliep naar 45 cent, toen zat ik gunstig. Wie toen op steenwol zat vroeg zich af waar hij mee begonnen was. Wij hadden geen problemen want wij stookten niet of veel minder. De tuinen waren toen duur, de rente was hoog, het gas was duur en een heleboel mensen hadden net geïnvesteerd.


Een ander met een gemengd bedrijf komt tot vergelijkbare conclusies.

Als een teler op steenwol een opbrengst van 70 gulden de meter niet haalt, heeft hij het slecht, maar ik heb al genoeg met een opbrengst van 35 gulden. Ik doe alles zelf en heb alleen hulp bij de oogst. Verder geef ik aan kunstmest vier keer zo weinig uit als hij en ik ben minder kwijt aan rente en aflossing omdat mijn bedrijf minder kapitaalintensief is.


We zien dat het voordeel van teelt op substraat in de groentesector al niet onomstreden is en dit geldt des te sterker in de bloementeelt. Bloementeelt op substraat stuit op meer problemen en is veel minder ver doorgevoerd. Een chrysantenteler daarover:

De teelt de grond uit is veel te duur en zal ook wel te duur blijven. Teelt op substraat levert op zijn best een produktieverhoging van 10, 15 procent en dat is niet voldoende om de kosten te dekken.


Een rozenkweker legt uit waarom hij zo lang mogelijk zal wachten met over­schakelen op substraat.

Zolang het in de grond goed gaat, moet je daarin blijven telen. Daar ben ik inmiddels wel achter. Ik ga wel eens kijken naar telers op substraat en daarvan weet ik dat het veel problemen geeft. Het is bovendien een hele investering. De produktie gaat alleen omhoog omdat ze in de winter ook door kunnen gaan en dat doe ik niet want ik heb dan mijn tulpen. Al met al kost substraat toch wel 6 à 7 gulden per meter. Dus moet je meer opbrengst halen en je moet ook nog eens investeren in lampen voor de belichting. Ik zit in verschillende gewasgroep­jes en je ziet regelmatig dat rozen met substraat en belichting 25 gulden de meter meer opbrengen, maar gelijk ook 25 gulden meer gekost hebben. Natuur­lijk zijn er ook die het wél goed doen.


Minder ziekten.
Substraat in de glasgroentesector is bijzonder snel ingevoerd, omdat de produktie erdoor omhoog ging en in het begin ook omdat substraattelers minder last hadden van plagen. Dit beeld is thans echter aan het kenteren:

De afgelopen tijd hoor je steeds meer over ziekten. De oorzaak daarvan is onbekend. Van pythium hadden ze eerst geen last, nu wel. Ook in het algemeen lijkt het of er meer kwalen komen. Vroeger waren er geen problemen met 't wit bij paprika en nu wel.


Een paprikateler op substraat bevestigt dit en wijst erop dat er ook nieuwe kwalen de kop op steken.

Het vervelende is dat er nu kwalen opduiken die we vroeger helemaal niet kenden. Vroeger dacht iedereen dat in de paprika geen trips voorkwam, maar nu zijn ze er volop en niemand weet hoe dat komt. De brandnetelwants hadden we vroeger nooit van gehoord en ik had tien jaar geen last van witte vlieg, maar nu is hij er ineens. Dan heb je weer nieuwe beestjes nodig voor de bestrijding. De orius hield vroeger de boel goed schoon, maar hij laat de brandnetelwants met rust, want dat is een soort neefje van hem.


Een teler in de grond heeft een theorie over deze toegenomen klachten. Uit het feit dat hij zijn grond stoomt en minder last heeft van plagen, concludeert hij dat alhoewel de grond bij de teelt op steenwol wordt bedekt met een laag plastic, zich onder dat plastic toch bepaalde virussen en insecten kunnen vermeerderen.

Met stomen ruimen wij gelijk spint en tripsjes op. Wij hoeven geen tripsroofmijt te zetten, geen spintroofmijt, we hoeven geen spuitbussen te gebruiken, helemaal niks. We hebben alleen tweemaal gerookt met pirimor tegen luis. Wij kunnen dan ook makkelijk meedoen op de veiling voor de gecontroleerde teelt. Op steenwol heb je veel gauwer last van trips en spint. Daar komen ze in januari al weer van alles tegen. Het folie op de grond langs de palen plakken ze af, want ze zijn bang dat daarlangs allerlei beestjes de kas in komen.


Hij vermoedt dat het goed zou zijn om toch de grond onder het steenwol van tijd tot tijd te stomen. Dat is echter moeilijk want dan moeten eerst de buizen de kas uit en moet de grond losgemaakt worden, omdat anders stoom niet diep genoeg in de grond kan doordringen. Chemisch de grond ontsmetten kan ook, maar daarmee zou een van de voordelen van teelt op substraat, geen chemische grondontsmetting, teniet worden gedaan.

De omschakeling.
We kunnen aannemen dat teelt op substraat bepaalde voordelen heeft boven teelt in de grond, maar met algemene of te stellige conclusies moeten we voorzichtig zijn. De produktieverhoging kan tot stand zijn gekomen door het gebruik van substraat, maar evenzeer door de gelijktijdige introductie van andere nieuwe technieken, zoals bijvoorbeeld in de tomaten de hogedraadteelt, een teeltsysteem, waarbij de top van de plant langs een draad bovenin de kas doorgroeit, soms wel 12 meter verder. Een tomatenteler wijst op dergelijke voordelen.

In de grond was natuurlijk ook buisrailverwarming (verwarmingsbuizen, sterk genoeg als rails voor transporten; red) mogelijk en was het dus ook mogelijk het plukwerk te doen op karretjes, maar niemand had nog zin in investeren in grondteelten en daarom is de overgang naar substraat tegelijk de overgang geweest naar andere werkmethoden.


Maar hij is positief in zijn eindoordeel.

Substraat is gekomen of ze nou wilden of niet. Nu zou ik niet meer terug de grond in wíllen. Het werken in de grond was vroeger toch veel vuiler werk. Substraat is schoner en het werkt prettiger.


Dit laatste bevestigt een andere substraatteler.

Telen op substraat is veel makkelijker. Je kan nu alles meten, terwijl je in de grond nooit precies wist hoeveel water je geven moest. In de grond kan je niet meteen reageren als het weer verandert van warm naar koud. Op steenwol geef je automatisch minder water. De laatste twee jaar dat ik in de grond teelde, had ik daar echt moeite mee. Steeds liepen we met de grondboor om te kijken hoe nat de grond was. Nu loop ik de drainbakjes na, ik meet de EC en de pH en ik heb alles weer in de gaten.


Overstappen op substraat is een omvangrijk proces dat ingrijpt op het gehele produktieproces. Het brengt veel kosten met zich mee voor substraat, plastic­folie, substraatcomputer, A- en B-bak (gescheiden voorraden zure en basische oplossingen met voedingsstoffen), druppelaars en vaak wordt tegelij­kertijd overgestapt op verwarming met het buisrailsysteem, waarvoor ook plukkarren moeten worden aangeschaft. Behalve de hoge vaste lasten zijn er ook hogere variabele lasten, voor folie, voor substraat, voor een hoger verbruik van meststoffen (zeker zolang er niet gerecirculeerd wordt) en voor verwarming van de kassen. De investeringen zijn zo hoog, dat daarmee een aantal andere zaken wordt vastgelegd. Om de kosten te dekken is men genoodzaakt jaarrond te gaan telen en de voorzieningen zijn vaak aangepast aan één teelt, men zit daardoor voor jaren vast aan die ene teelt. De kosten moeten bovendien meestal op één moment gedaan worden: het is niet goed mogelijk om de investeringen uit te smeren over een langer tijdsbestek en een 'stap-voor-stap'-strategie is derhalve niet mogelijk. De tuinder is genoodzaakt om forse leningen aan te gaan en hoge financieringslasten zullen drukken op elke vierkante meter glas.
Kosten en opbrengsten komen op een ander niveau te liggen. De nieuwe kosten- en opbrengstenniveaus zijn voor de toppers aanvaardbaar en voor hun is overschakelen op substraat een voor de hand liggende stap, maar voor de 'echte tuinders' is het veel minder logisch.

Die hoge vaste lasten van substraatteelt dwingen ertoe "het maximale uit de kas te halen". Juist substraatteelt noopt tot het maximaliseren van de op­brengsten over het gehele jaar en per eenheid oppervlakte.
Een consequentie is ook een ver doorgevoerde specialisatie. Dit versterkt de marktafhankelijkheid van tuinders: het behoud van een zekere risicospreiding en een zekere flexibiliteit wordt als het ware uitgesloten. Terwille van de over­schakeling op substraat moet de tuinder zich voor meerdere jaren vastleggen op één bepaalde teelt. Mocht ondertussen de prijs van die teelt drastisch zakken, dan ontstaan er niet onaanzienlijke problemen (en dan is er de noodzaak van nieuwe abrupte omvormingen).
Substraatteelt is met andere woorden deel van een veelomvattend technolo­gisch systeem maar impliceert tegelijkertijd een bepaald economisch stramien: de kosten worden opgevoerd, veelal zal het aandeel vreemd vermogen toenemen, er treedt specialisatie op, de bedrijfsvoering wordt meer rigide en het wordt moeilijker te kiezen voor een geleidelijke bedrijfsontwikkeling.
Substraatteelt is derhalve niet een innovatie die zich simpelweg over de sector als geheel verspreidt. Ze stemt overeen met de ontwikkelingsstrategie van de toppers en botst met de logica van de echte tuinders. Kosten en baten zullen door de verschillende groepen dan ook verschillend worden beoordeeld: het verlies van flexibiliteit bijvoorbeeld zal door de laatste groep als 'kostenpost' worden ervaren; in de ontwikkelingslogica van de toppers ligt dat geheel anders. In hoofdstuk 3 en 4 zijn we hierop al uitgebreider ingegaan.
Dat de echte tuinders aarzelend of soms ronduit negatief staan tegenover deze innovatie zal dan ook niet verbazen. Hun aarzeling en kritiek kunnen we beslist niet afdoen als een 'traditionele houding'. De reorganisatie van het bedrijf die noodzakelijk is bij de introductie van substraatteelt en meer algemeen bij de introductie van nieuwe technologische modellen, past niet binnen de logica van de echte tuinders. De echte tuinders stuiten op het probleem dat de technologie-ontwikkeling selectief een bepaalde stijl van werken veronderstelt en bevordert.
De echte tuinders benadrukken dan ook dat overgang naar substraatteelt dwingt bepaalde keuzen te doen en af te zien van andere mogelijkheden.

Aster is makkelijk op steenwol te kweken, maar het nadeel is dat je dan in de winter door moet gaan voor een slechtere kwaliteit. Als je op steenwol teelt heb je geen keus. In de volle grond kan je asters in rust zetten, maar op steenwol is dat moeilijk.


De echte tuinders klagen dat doorgaan in de winter bijna noodzakelijk wordt, net als specialisering op één gewas en dat men gedwongen wordt een hoge produktie te halen. Zij vinden dat een tuinder teveel gebonden wordt aan één teelt. Een van onze gesprekspartners wijst erop dat je voortdurend alert moet zijn bij substraatteelt.


Tuinders moeten nu met een pieper bereikbaar zijn, want de planten hebben weinig buffer. Een laagje van 5 centimeter water is te weinig. Als er iets misgaat en de tuinder is er niet binnen twee uur bij, dan is het afgelopen met de teelt. Als je in de grond teelt kan je tenminste nog eens op vakantie, maar op sub­straat moet er altijd iemand op de winkel passen.


Maar er is meer aan de hand. Sommige tuinders formuleren ook ándere vormen van kritiek op de recente ontwikkelingen richting substraatteelt. Zij bekritiseren bijvoorbeeld het 'onnatuurlijke' karakter ervan. Zo zegt een 'echte tuinder':

Het is toch allemaal surrogaat wat ze daar aan het doen zijn. Ik hoop dat de tendens naar biologisch-dynamische teelten in de grond een tegenwicht kan bieden. Want ik ben toch meer voor de natuurlijke methoden in de grond: zo groeit een plantje.


Een ander vult hem aan:

Het probleem was dat ik niet op substraat wílde telen. Ik vind dat geen tuinder meer zijn, wanneer je 's ochtends je schoenen moet ontsmetten voordat je de kas in kan lopen.


Een vergelijkbaar bezwaar is dat het werk op substraat eentoniger wordt. Een grondteler merkt op dat hij er niet voor voelt het hele jaar bezig te zijn met één teelt. "Er is geen variatie meer, het plezier om te tuinieren gaat zo verloren".

We telen niet op substraat en hebben dat ook nooit echt overwogen. Het werk wordt daardoor zo eentonig. Mijn vader had geen zin om jaar in jaar uit tomaten te "dieven en indraaien" en ikzelf ook niet. Het werk is altijd hetzelfde en je moet voortdurend het personeel in de gaten houden.


Smaak.


Een belangrijk onderwerp in het debat over de voor- en nadelen van substraat is het vermeende verschil in smaak. Men zegt dat over smaak niet te twisten valt, maar het wordt wél gedaan. De meningen over de smaak van groenten uit de grond en groenten op substraat zijn verdeeld. Zo zegt een echte tuinder:

De smaak is ook helemaal zoek. Je mag het niet zeggen, maar iedereen weet dat. De keurmeesters op de veiling nemen toch altijd een grondtomaat als ze eens tussendoor een tomaatje willen eten. En de groenteboer in 's Gravenzande komt zijn groente hier bij een grondteler kopen. Ik denk dat de smaak mede te maken heeft met het gebruik van organische mest.


Een topper geeft toe dat soms de neiging bestaat minder op de smaak te letten.

Wij willen kilo's produceren, maar het risico is dat we onze positie bij de consument verspelen en daar moeten we voor oppassen. Als we teveel streven naar een hoge kilo-opbrengst, wordt de kwaliteit slechter.


Een andere topper is het er niet mee eens.

Vaak is het zo dat waar de produktie het hoogst is, ook de smaak en de houd­baarheid het best zijn. Bij de vleestomaten hadden wij de hoogste produktie én de hoogste kwaliteit. In Duitsland hebben ze proeven gedaan met smaakpanels en die konden geen verschil proeven tussen tomaten uit de grond en tomaten van steenwol.


Deze tuinder is van mening dat de smaak door de zaadselectiebedrijven de laatste tijd verwaarloosd is, maar dat dat in een periode van drie jaar verhol­pen kan worden. Grondtelers brengen hiertegen in dat smaak niet zozeer te maken heeft met de rassenkeuze: grondtelers en substraattelers gebruiken vaak dezelfde rassen maar krijgen toch verschillen in smaak. Substraattelers zijn het hier uiteraard niet mee eens, zij proeven geen verschil en zeggen dat ook in de grond de smaak tegen kan vallen. "In de grond kan je ook een hele waterige tomaat telen", zo verdedigt een topper.
De vraag of er verschil in smaak is, kunnen we hier niet beantwoorden. We geven slechts aan hoe de discussies over voor- en nadelen van substraat zich uitspint over een groot aantal aspecten.

5.2. Substraat als oplossing voor milieuproblemen.
De glastuinbouw staat voor grote problemen. Er is een toenemende maat­schappelijke druk op de landbouw in het algemeen en op de glastuinbouw evenzeer, om de emissie van meststoffen (natuurlijke meststoffen en kunst­mest) en van bestrijdingsmiddelen naar de omgeving te beperken. Zoals de intensieve veehouderij kampt met een overschot aan dierlijke mest, zo heeft de glastuinbouw een hoge uitstoot aan kunstmeststoffen. Zonder verdere maatregelen komen deze meststoffen terecht in de omgeving, in het grondwa­ter en in het oppervlaktewater.
Een oplossing voor dit probleem kan men zoeken in verschillende richtingen. In feite staan er twee oplossingsrichtingen tegenover elkaar.
De eerste behelst een systematische ontkoppeling van tuinbouw en natuurlijke hulpbronnen. Door de (glas)tuinbouw als 'gesloten systeem' te bedrijven, door haar met andere woorden te ontkoppelen van de omringende natuur (van grond, water en lucht) kan de emissie van schadelijke stoffen gemeten, gecontroleerd en (in ieder geval voor een flink deel) geëlimineerd worden. Substraatteelt is een strategisch belangrijke schakel in deze 'ontkoppelingsrou­te'.
- Tegenover deze 'ontkoppelingsroute' staat in beginsel een andere weg, die door sommigen ook aktief wordt bepleit. Dat is het opnieuw met elkaar in evenwicht brengen van de omringende natuur en de glastuinbouw. Voor het volgen van deze weg is substraatteelt nogal problematisch: het is de zoveelste toevoeging van potentieel milieuschadelijke elementen (zoals steenwol en folie) aan de kas als produktieplaats.

Ontkoppelingsstrategie.
De overgang op substraatteelt markeert een belangrijke tweesprong op de weg naar een meer milieuvriendelijke glastuinbouw. Dat is temeer het geval sinds het Ministerie van Landbouw in 1990 in de Structuurnota Landbouw de doelstelling vastlegde dat de glastuinbouw binnen afzienbare tijd geheel (of voor een zeer groot deel) op substraat bedreven moet worden. Het overheids­beleid heeft daarmee gekozen voor de eerste optie, de ontkoppelingsstrategie en beschouwt het milieuprobleem als een technologisch probleem dat techno­logisch opgelost kan (en moet) worden.

Het belangrijkste argument waarom de teelt de grond uit moet, is de norm voor uitspoeling van meststoffen.

We weten dat bij teelt in de grond de normen voor uitspoeling niet gehaald kúnnen worden. Uit al het onderzoek van het Proefstation blijkt dat de huidige kwaliteitseisen niet verwezenlijkt kunnen worden bij teelt in de grond. Op grond van dat onderzoek hebben we een tijd geleden al besloten: "De glastuinbouw moet gaan werken aan een gesloten systeem". Ook ecologische tuinders zullen in de toekomst moeten voldoen aan de waternorm.


Aldus een vertegenwoordiger van het ministerie op een bijeenkomst over milieumaatregelen in de glastuinbouw (juni 1991) met hetzelfde argument. De adjunct-directeur van het Proef­station in Naaldwijk verdedigde op een studiedag (mei 1991) de keuze van het Proefsta­tion om de aandacht volledig te richten op ontwikkeling van gesloten syste­men met hetzelfde argument.

Er werd geconcludeerd dat optimaliseren van de grondteelt niet tot het gestelde doel zal leiden. De keuze voor de onderzoeksinspanning viel daarom op het ontwikkelen van gesloten bedrijfssystemen. Veel tuinders hebben deze keuze als een schok ervaren.


Aangezien bij teelt in de grond altijd wel een deel van stikstof en fosfaten weglekken, moet de teelt de grond uit. De uitspoelingsnormen worden zo het breekijzer waarmee de keuze voor de 'ontkoppelingsroute' dwingend wordt opgelegd aan alle tuinders. Het is een strenge concentratie op die éne norm en die éne norm kan slechts op één manier vervuld worden: door het volgen van de technologische ontwikkelingen. Men zal begrijpen dat die norm makkelijk inpasbaar is in de logica van de toppers, maar dat anderen er moeite mee hebben. De normen werken dwingend in een bepaalde richting en dulden weinig tegenspraak. Een rapport van de UBM (Universitaire Beroepsopleiding Milieukunde),waarin onder strenge voorwaarden een mogelijkheid werd opengehouden voor teelt in de grond, vond weinig instemming bij bovengeciteerde vertegenwoordiger van het ministerie.

En als nu zes studenten zeggen dat het wél kan, dan zeggen tuinders tegen elkaar: "Zie je wel, de wetenschappers zijn het er niet over eens; het schijnt tóch te kunnen".


Een andere deskundige voegt daaraan toe:

Zo ontstaat er discussie en de tendens daarvan is dat men niet aan het werk gaat, maar gaat praten over doelstellingen. De druk van het beleid moet gericht zijn van teelt in de grond naar teelt los van de grond. Dat moet zo blijven, want het is al moeilijk genoeg om de neuzen één kant op te krijgen.


Twijfels.
Toch zijn er bezwaren. Het telen los van de ondergrond is een minder vanzelf­sprekende oplossing dan het op het eerste gezicht lijkt. De verschillen tussen tuinders die wij eerder beschreven, worden ook weerspiegeld in de positie die zij kiezen ten aanzien van de plannen om "de teelt de grond uit" te halen. Het is een veelbesproken onderwerp en er is geen bijeenkomst waar het niet direct of indirect aan de orde komt. Sommige tuinders geloven sterk in de 'ontkop­pelingsroute', anderen veeleer in het herstel van een evenwicht. Beide groepen ontlenen aan de eigen praktijk, én aan de praktijk van 'de anderen', argumenten om het eigen gelijk te staven.

Een eerste bezwaar is dat het beleidsvoornemen om substraatteelt dwingend voor te schrijven onrechtvaardig is. Een grondteler verbaast zich over de ontwikkelingen.

Ik vind het heel vreemd. Telen in de grond is altijd vanzelfsprekend geweest en nu komen er die milieunormen en kan het ineens niet meer. Ook als je het puur theoretisch beschouwt is het niet logisch. Ik vind het allemaal onzin en ben er heilig van overtuigd dat er over 20 of 30 jaar nog steeds in de grond geteeld wordt. Anders mag er straks helemaal niets meer groeien. In veengebieden is de natuurlijke mineralisatie soms vijf keer hoger dan de officiële norm; maar je kunt veengebieden toch niet verbieden?


Telen op substraat ligt ver buiten de logica van deze teler.

Het grootste probleem is het enorme onrecht. Ik vind het asociaal. Substraatte­lers hebben in de afgelopen 20 jaar vier à vijf keer zoveel vervuild als telers in de grond en wíj moeten er straks mee stoppen. Iedereen wil tegenwoordig goud geld verdienen en er zo weinig mogelijk voor doen. Er wordt gigantisch gejaagd en de plant staat met zijn druppelaartje als een doodzieke vent die in het ziekenhuis aan het infuus ligt.
Op zijn minst zal over een tijd 70 procent van de tuinbouw op steenwol zitten. Tegen de tijd dat er boetes en heffingen komen, ga ik denken over emigreren. Ikzelf ga in ieder geval niet over op steenwol. Ik heb altijd gedacht dat het goed was waar ik mee bezig ben.


En ondanks de overtuiging van zijn eigen gelijk verzucht deze tuinder:

Ik zal me blijven weren, maar ja, uiteindelijk doe je niks tegen de overheid.


Op de tweede plaats zet men vraagtekens bij de verabsolutering van het mest­vraagstuk. Telen op substraat met recirculatie biedt misschien een mogelijk­heid om uitspoeling van meststoffen beneden een bepaald niveau te krijgen, maar de balans kan negatiever zijn wanneer ook andere elementen in ogen­schouw worden genomen. Substraatteelt laat grote hoeveelheden steenwol en plasticfolie achter en kost meer energie omdat substraatteelt bijna altijd een jaarrond-teelt impliceert, hetgeen betekent dat er wordt doorgestookt in de winter. Het meest veelvuldig hoort men de bezwaren tegen de bergen afval.

Een derde probleem is de vraag of het mogelijk is alle teelten de grond uit te krijgen. Er zijn allerlei voorzieningen nodig om teelt op substraat mogelijk te maken, maar ook het substraat zelf is behoorlijk duur. Bij gewassen die slechts enkele maanden groeien, zoals sla, bospeen, radijzen en veel bloemen is het twijfelachtig of steenwol rendabel te maken is.
Tuinders die nog in de grond telen, reageren laconiek op geluiden dat over een aantal jaren alle teelten de grond uit moeten. "Dat zeiden ze vijf jaar geleden ook al"; of "Het zal zo'n vaart niet lopen", zegt men vaak. Men is sceptisch en denkt dat het onmogelijk is alle teelten de grond uit te krijgen.

Een buurman heeft geprobeerd sla te telen op water in gootjes, maar het lukt gewoon niet. Bospeen op substraat, dat is toch onmogelijk? En de meerderheid wil toch gewoon in de grond blijven telen?


Twee telers van zomerbloemen geloven het evenmin:

Het kan gewoon niet. Ik zou niet weten hoe we dat moeten doen. Celosia heeft penwortels die 40 centimeter diep gaan.

Ik geloof dat ze niet altijd weten waar ze over praten. Rijnland zegt: "Rozen kúnnen op substraat, dus rozen móeten op substraat", maar er zijn een heleboel rozen die níet op substraat kunnen. Een klein roosje moet toch op de markt kunnen komen.


Grondtelers benadrukken dat voor veel gewassen nog onbekend is, of teelt op substraat realiseerbaar is en vinden het merkwaardig dat dat toch móet.

Een vierde probleem dat direct samenhangt met de voorgaande punten, is dat een eventuele verplichting om los van de grond te telen voor bepaalde gewassen niet mogelijk zal zijn en dat daardoor het aanbod op de veiling minder breed zal worden. De ontwikkeling van de substraatteelttechniek vergt veel onderzoek en investeringen en die zijn met name rendabel in de 'grotere teelten'.

Om een teelt op substraat mogelijk te maken moet je veel onderzoek doen. Je moet veel bijsleutelen, een stofje er bij, een stofje eraf, opnieuw proberen enzovoort. Overgaan op substraat zou op dit moment betekenen overgaan op de teelt van Bouvardia of van rozen. Meerdere kleine teelten op substraat zijn gewoon niet rendabel. De voorlichting in Rijnsburg heeft proeven gedaan maar die zijn niet bemoedigend. En als iedereen bulkgewassen gaat produceren, zal de prijs dalen en het rendement van die teelten onder druk komen te staan.


Een verplichting om op substraat te telen kan leiden tot een groter aanbod van de grotere teelten, tot een lagere prijs en tegelijkertijd tot een mindere vraag omdat veel afnemers juist geïnteresseerd zijn in bijzondere teelten en in nieuwe gewassen waarvan sommige per definitie nog niet op substraat geteeld kunnen worden.

Op de veiling houdt je nog maar de helft van de gewassen over. De handel gaat dan naar het buitenland waar wél een breed aanbod is.


Aldus een bloemenkweker. Een bestuurder van de groenteveiling in Baren­drecht ziet hetzelfde gevaar voor de groentesector.

Alle teelten op substraat? Daardoor zou ons pakket een geweldige knauw krijgen. De exporteurs willen ook selderij en soepgroente. Juist die kleinere gewassen halen de laatste tijd hogere omzetten.


In de argumentaties zien we hier ook weer de regionale verschillen aan de orde komen. Zo zegt een bloemkweker uit de Veenstreek:

Het is gewoon een economische kwestie: de bedrijven hier zijn niet geschikt voor bulkprodukten, door de afmetingen, door de kassen en door de open grond die velen nog hebben. De bedrijven hier zijn belangrijk voor het assortiment; de diversiteit komt nou eenmaal niet uit het Westland.


Een vijfde probleem is juridisch van aard. Maatregelen om de teelt de grond uit te krijgen zullen op juridische gronden moeten worden verdedigd en hier doet zich het probleem voor, dat het moeilijk is een ondubbelzinnig onderscheid te maken tussen teelten onder glas en teelten in de volle grond. Veel gewassen kunnen zowel onder glas als in de volle grond geteeld worden en de eisen aan glasteelten moeten ook gesteld worden aan vollegrondsteelten. Welke teelten moeten dan de grond uit?
Ervan uitgaande dat de akkerbouw niet zal worden bedreven op steenwol, moet er ergens een grens getrokken worden en die grens zal dan waarschijn­lijk bepaald worden door de omvang van de uitspoeling van meststoffen. Dit zal in laatste instantie beslissend zijn en niet de keuze tussen telen in de grond of telen op steenwol. En daarmee is men weer terug bij het oorspronkelijke probleem, hoe de uitspoeling kan worden teruggedrongen.

Het laatste probleem dat we willen behandelen, is waarschijnlijk het belang­rijkste. Het betreft de vraag of telen op substraat werkelijk minder uitspoeling geeft dan teelt in de grond. Daarbij moeten we allereerst opmerken dat beper­king van uitspoeling bij teelt los van de grond een belofte is voor de toekomst, die voorlopig nog niet is waargemaakt. Het rapport van het LEI "Vermindering van de milieubelasting door de glastuin­bouw in Zuid-Holland", van begin 1991 spreekt wat dat betreft boekdelen:

Het blijkt dat de substraatteelten verantwoordelijk zijn voor verreweg het grootste deel van deze uitspoeling van voedingszouten. Dit komt doordat tijdens de teelt meer voedingswater aan de planten wordt toegediend dan deze kunnen opnemen. Deze overgift is noodzakelijk om alle planten steeds van voldoende water en voeding te voorzien.


In het rapport wordt geschat dat de groenteteelt op substraat 12,4 miljoen kilo voedingszouten uitspoelt en de groenteteelt in de grond op een kleiner areaal één (een lage schatting) à twee miljoen kilo; Als we het naar een gelijk areaal zouden omrekenen, zouden de grondteelten twee à vier miljoen kilo uitspoelen. Dit zou betekenen dat substraatteelten drie tot zes keer meer uitspoelen dan grondteelten. Dit is misschien een hoge schatting, maar uitspraken van tuinders bevestigen dit. Dat substraattelers twee of drie keer zoveel kunstmest gebruiken als telers in de grond, wordt vrij algemeen aangenomen. Zo zegt een van onze zegslieden:

Mijn broer kweekt rozen in de grond en hij kan het goed vergelijken met wat rozenkwekers op substraat doen. Volgens hem geven die drie keer zoveel.


Een groenteteler uit de buurt van Barendrecht daarover:

Een substraatteler knoeit toch veel meer met zijn emissie naar de grond dan een grondteler. Ik ken een collega die komkommer teelt en bij hem in de schuur staan altijd hele palets kali- of kalksalpeter; ik haal een keer tien zakjes en dan heb ik weer voor weken genoeg. Substraattelers gebruiken veel kunstmest, dus de EC loopt snel op en dan moeten ze weer doorspoelen.


Een schone teelt op substraat kan pas gerealiseerd worden wanneer het voe­dingswater wordt hergebruikt en dat is tot op heden slechts op een zeer klein deel van de bedrijven het geval.
Recirculatie is niet simpel een kwestie van het opnieuw gebruiken van het drainwater. Wanneer gewoon leidingwater wordt gebruikt, of oppervlaktewa­ter, wordt het hergebruikte water snel te zout (teveel NaCl), waardoor de plant vergiftigd wordt. Dan moet alsnog worden doorgespoeld en de besparing blijft dus beperkt. Om succesvol te recirculeren is water met weinig zout noodzakelijk, regenwater of eventueel in de toekomst door het waterleiding­bedrijf te leveren superwater met een lage EC. Zoals het er nu naar uit ziet, zal dit superwater te duur zijn, en moeten tuinders individueel oplossingen zoeken. Een bassin voor de opvang van regenwater lijkt de meeste mogelijkheden te bieden om recirculatie te realiseren en een flink aantal bedrijven heeft al zo'n bassin. Maar met name in het Westland is weinig ruimte en is het moeilijk om een bassin te plaatsen. Het bezit van een regenwaterbassin is overigens nog geen reden voor tuinders om te recirculeren. Het geeft een besparing op het gebruik van meststoffen, maar die besparing is financieel nauwelijks interessant en weegt niet op tegen de risico's die men er mee loopt. Zo zegt een tuinder met een bassin:

Ik ben er voor om te recirculeren, maar er is eigenlijk nog geen goed systeem voor. Degenen die het doen, plukken geen kilo meer dan de anderen en ze hebben het risico dat het fout gaat. Ik kijk eigenlijk liever de kat uit de boom. Als het recirculatiewater te zout wordt, dan spoelen ze het óók door en dan komt het toch nog in het oppervlaktewater.


Over het gebruik van regenwater zijn veel tuinders tevreden (ook telers in de grond) omdat minder zout gietwater altijd gunstig is. Men hoeft minder mest te geven en de grond of het substraat minder door te spoelen. Een komkom­merteler heeft de indruk dat hij minder kromme komkommers heeft gekregen en een paprikateler vermoedt eveneens dat regenwater positieve effecten heeft:

Hoe het precies komt weten we niet, maar vergeleken met collega's heb ik minder last van neusrot, niet meer dan één procent. Ik denk dat dat komt door het regenwater.


Recirculeren is echter iets anders en ook indien men over voldoende regenwa­ter beschikt, zal een deel van het water en van de meststoffen moeten worden doorgespoeld. In ideale omstandigheden zijn er teelten die volledig kunnen worden gerecirculeerd, maar er zijn ook teelten die dan nóg moeten worden doorgespoeld. Het Consulentschap voor de Landbouw in Zuid-Holland schat dat onder ideale omstandigheden bij voldoende regenwater de uitstoot van voedingsstoffen kan worden teruggebracht met 90 procent en met 75 procent wanneer iedereen een regenwater bassin heeft van 500 kubieke meter.
Substraattelers kunnen derhalve de uitspoeling van voedingszouten terug­brengen door te recirculeren en het lijkt op zijn plaats om maatregelen te nemen om dat te bevorderen. Maar het is minder vanzelfsprekend om de overgang van grondteelt naar (gerecirculeerde) substraatteelt dwingend voor te schrijven. Een eenvoudig rekensommetje kan dit illustreren. Want als substraatteelt driemaal meer meststoffen vraagt dan teelt in de grond (dat is de lagere schatting van het LEI) en als met recirculatie de uitstoot van voedingsstoffen kan dalen tot een kwart (ervan uit gaande dat de bovenge­noemde ideale omstandigheden moeilijk te realiseren zijn), dan daalt de uitspoeling per saldo van bijvoorbeeld 100 naar 3 * 100 * À##À = 75. Een teruggang per saldo van 25 procent, die waarschijnlijk ook te realiseren is door zorgvuldig telen in de grond. Misschien zal dit rekensommetje iets gunstiger uitvallen voor gerecirculeerde substraatteelt, bijvoorbeeld omdat substraatteelt een hogere produktie geeft, maar dan nog blijft de vraag of de voordelen van teelt op substraat met recirculatie opwegen tegen de nadelen die er voor het milieu onmiskenbaar ook aan vast zitten. Een echte tuinder maakt een vergelijkbaar rekensommetje.

Als je ziet wat die substraatjongens vervuilen, zonder recirculatie, dat staat in geen verhouding tot wat er in de grond gebeurt. Voor radijs in de grond wordt 6000 à 7000 kilo kunstmest per hectare gebruikt, dat is een schone teelt. Nu zeggen ze dat ze op substraat ruim 25.000 kilo gebruiken! Als wij 6 à 7000 kilo strooien en als wij daarvan de helft uitspoelen, dan spoelen wij dus 3500 kilo uit. Een substraatteler zal toch altijd tien procent moeten uitdrainen en tien procent van 25.000 kilo is 2500 kilo. Dat scheelt dus heel weinig.
Bovendien vind ik de schatting van de helft uitspoeling in de grond hoog. Ik heb de indruk dat het minder is, want we gebruiken andere, meer organische meststoffen die beter in de grond worden vastgehouden.


Op grond van het bovenstaande betwijfelen we sterk of de pretentie kan worden waargemaakt dat teelt los van de ondergrond beter is voor het milieu. In ieder geval is nog onvoldoende bewijs geleverd om twijfels weg te nemen: "Ik kan mij uw verbazing voorstellen", was het antwoord van een onderzoeker van het Staring-centrum in Wageningen op de vraag waarom in zijn onderzoek was aangenomen dat de uitspoeling van stikstof ongeveer gelijk zou blijven, wanneer de tuinders die nu nog in de grond telen, zouden overgaan op substraatteelt zónder recirculatie. Deze aanname strookt niet met praktijker­varingen en moet dus beter worden beargumenteerd.
In de volgende paragraaf geven wij een overzicht van mogelijkheden die echte tuinders noemen om grondteelten te optimaliseren. Deze pogingen zijn overi­gens in de ogen van beleidsmakers niet meer van belang. Twijfels mogen geuit worden, maar van invloed zijn die niet meer. Een functionaris van het ministe­rie is daar duidelijk over:

De keuze is gemaakt. Voor de beleidsmatig geörienteerde personen is het duidelijk, alleen wordt het nog niet door alle agrariërs ondersteund of geaccep­teerd. Substraat is de enige oplossing waarmee je aan de doelstelling kan voldoen. In het beleid houden we nog wel rekening met het bestaan van grondteelten, maar ondanks dat is het niet realistisch om te praten over even­wichtsbemesting onder glas.


En een tuinder die veel met het beleid te maken heeft, onderstreept dit en benadrukt dat alleen de toppers in de toekomst aan de eisen kunnen voldoen. In zijn opvatting zijn de tuinders die wij echte tuinders genoemd hebben, eerder de achterblijvers:

Wij zeggen al twintig jaar tegen die ondergroep: "Volg cursussen, verzamel kennis, stap eens naar de voorlichting", maar er verandert niet veel. Zij zijn de zwakste schakel. Zij vormen de groep die de milieukar niet zullen kunnen trekken. Zij zitten met de onmogelijkheid om een aantal investeringen te doen. De sterke bedrijven zullen het snelst uit de milieuproblemen raken.



5.3. Optimalisering van grondteelten.
Telen in de grond geeft andere problemen dan telen op substraat. Op sub­straat is essentieel uit te zoeken welke stoffen aan de voeding moeten worden toegevoegd; voor grondtelers zijn 'klassieke' problemen als de kwaliteit van de grond, waterpeil en vruchtwisseling van belang.

Vruchtwisseling.
Het grootste deel van de geïnterviewde tuinders die in de grond telen, heeft meerdere gewassen in het jaar. De argumenten daarvoor zijn enerzijds afwis­seling van het werk en risicospreiding, waarover we eerder al gesproken hebben. Een ander belangrijk argument is het op peil houden van de grond­kwaliteit. De keuze voor meerdere teelten hangt nauw samen met de keuze om (zo lang mogelijk) in de grond te blijven telen. Het is noodzakelijk de grond schoon te houden.

Verder helpt een goed wisselschema natuurlijk. Dat is toch altijd al bekend geweest in de landbouw, maar dat weten ze nou al bijna niet meer. Het is tegenwoordig allemaal monocultuur en wisselen schijnt niet meer te bestaan. Dus zoeken ze nu ook andere oplossingen voor de problemen die ontstaan zijn.


Met teeltwisseling raakt de grond minder gauw uitgeput en de kans op plagen is minder groot. Dat is iets waarmee alle grondtelers rekening houden. In de substraatteelt is een dergelijk probleem als het ware geëlimineerd. Biologische tuinders mogen weinig of geen kunstmest gebruiken en mogen helemaal geen chemische bestrijding toepassen. Voor hen is vruchtwisseling daarom nog doorslaggevender.

Ik heb vier afdelingen om een goede grondteelt mogelijk te maken. Tomaten en paprika zijn van eenzelfde familie en die kan je niet achter elkaar telen. In kas één heb ik nu paprika en aubergines, in kas twee komkommer, in kas drie tomaten en in kas vier weer komkommer. Dat is meteen ook de volgorde in het grondteeltsschema. Het feit dat wij grondteelt toepassen stelt ons voor bijzonde­re problemen die ze in de substraatteelten niet kennen.


Die bijzondere problemen zijn bijvoorbeeld dat de buisrail verwarming verscho­ven moet kunnen worden omdat tomaten, paprika en komkommers niet allemaal even wijd uit elkaar geplant worden.

Een groot probleem is dat al het onderzoek gericht is op de teelten op substraat en dat de ontwikkeling in andere teelten stil ligt. De werktuigen die wij gebruiken zijn allemaal zeker acht, negen jaar geleden ontwikkeld. Als wij de broei­veur moeten klaarmaken en de grond willen omspitten, dan moeten we de buizen op een of andere manier omhoog halen en daarvoor hebben we nu haken in de kas gehangen. Daardoor wordt het werk omslachtiger.


Een andere biologische teler staat voor diezelfde noodzaak tot vruchtwisseling en klaagt erover dat hij daardoor zijn aandacht teveel moet verdelen over verschillende teelten. Het alternatief ziet hij echter niet in méér ontsmetten en specialiseren op een teelt, maar in samenwerking met andere telers die om beurten paprika, tomaten en komkommers zouden kunnen telen.

Veel verschillende teelten geven veel kopzorg en je zou eigenlijk met méér tuinders een teeltwisselsysteem moeten afspreken. Als je dat zou doen werd de produktie een stuk goedkoper, waardoor weer meer mensen biologische produk­ten zouden gaan eten. De biologische produktie zou best kunnen worden uitgebreid.


Ook deze teler klaagt over te weinig ondersteuning van buitenaf om zijn manier van tuinbouwbeoefening verder te ontwikkelen.

Laatst waren hier mensen van de studieclub en die vonden dat er maar een heel beperkte markt was voor biologische produkten, maar daar ben ik het dus niet mee eens.


Onderzoek, studieclubs en overheidsbeleid hebben de laatste jaren de aan­dacht sterk geconcentreerd op verdere ontwikkeling van de techniek van teelt op substraat. Wat we eerder de 'ontkoppelingsroute' noemden krijgt alle aandacht en de grondtelers beklagen zich over die in hun ogen eenzijdige belangstelling. Zij ervaren dat diverse mogelijkheden onvoldoende ontwikkeld worden en moeten derhalve hun kennis zélf verder ontwikkelen.
Een echte tuinder combineert de teelt van meloenen met om de twee jaar prei, omdat dat zuiverend werkt. Naar zijn zeggen bijna net zo goed als een keer stomen. Op de vraag of er meer van die combinaties zijn en of dat niet beter zou kunnen worden uitgezocht, antwoordt hij bijna smalend:

Het proefstation? Laat me niet lachen. Die denken modern; ze denken groot; ze denken plastic, wit, uiterlijk. Die gaan toch niet in de prei. Die zijn nu bezig een plastic coating voor de groenten te ontwikkelen en straks leveren ze bij ieder kistje tomaten een zakje aromakruiden. Die kruiden hebben ze dan gehaald uit tomaten die wíj in de grond geteeld hebben.


Als andere mogelijkheden van kwaliteitsverbetering van de grond worden genoemd compostering om de structuur goed te houden of versnippering van groenafval. Het kan elkaar beïnvloeden: minder ontsmetting geeft een betere grond en een betere grond geeft minder noodzaak tot ontsmetting.

Als je rotzooi gebruikt dan lijden de bacteriën, de nuttige, daar direkt onder. Betere grond geeft minder last van kwalen en ziektes, ook van insectenplagen.


De grond 'leeg' laten liggen gedurende enige tijd is een andere mogelijkheid, wanneer vruchtwisseling om een of andere reden niet mogelijk of gewenst is.

Meer vruchtwisseling zou minder vervuilend zijn, maar bepaalde bedrijven kunnen niet aan vruchtwisseling doen. Je moet het land dan tussentijds langer leeg laten liggen. Een bedrijf moet het kunnen velen om de grond een periode tot rust te laten komen. Het punt is, hoe hoog is je investering geweest, met andere woorden hoe groot is de noodzaak om je meteropbrengst te belasten. Ik zou graag willen dat het allemaal wat minder jachtig ging.


Grondontsmetting.
Een van de belangrijke argumenten om te gaan telen los van de ondergrond, is het feit dat bij de ontsmetting van de grond veel chemische bestrijdingsmidde­len gebruikt worden. Dat zijn middelen die verboden zijn of binnenkort worden. Dat stelt tuinders voor grote problemen.

Het verbod om de grond met methylbromide te ontsmetten is bij ons erg hard aangekomen. Als alternatieve middelen kunnen we vapam of monam gebruiken, maar die komen straks ook op de verboden lijst te staan. Als het zover is blijft er erg weinig over voor de vollegrondsteelt. Dan kunnen we alleen nog stomen en dat is een bar en boos werk. Met methylbromide liet ik eenmaal per jaar of per twee jaar de grond ontsmetten; de loonwerker kwam langs en in een uurtje was het werk gedaan. Stomen is erg tijdrovend. In kosten zal het waarschijnlijk niet eens zoveel uitmaken. Op zandgrond werkt dat systeem perfect, maar bij ons is het moeilijker omdat in het veen de stoom niet diep kan doordringen. En op klei is het nog moeilijker.


Grond stomen is moeilijk en vervelend werk, maar voor een aantal tuinders een goed alternatief. Men kan er niet van uit gaan dat grondtelers per definitie veel chemische middelen gebruiken. Bij echte tuinders bestaat de bereidheid te zoeken naar andere mogelijkheden. Zo zegt één van hen verschrikkelijk verbeten te zijn op methylbromide; hij had het jaren geleden een keer gebruikt maar ontdekt dat het gemeen spul was. Anderen gebruikten vaker methylbro­mide, maar hebben geen moeite met een verbod, omdat stomen een aanvaard­baar alternatief biedt.

Methylen doen wij al een paar jaar niet meer omdat we vlakbij woonhuizen staan. Stomen is een heel oud systeem. Het werd járen geleden al gedaan en daarna kwam methyl. Maar het kost veel energie en veel arbeid want je moet dat zware zeil eerst goed ingraven in de grond. Methylen is makkelijker. Er komen een paar gasten langs, plastic over de grond en klaar.


Een biologische tuinder vertelt dat ook stomen niet per se noodzakelijk is.

De grond stoom ik niet en ik ontsmet niet. Toen de studieclub hier was merkte ik wel dat ze het knap vonden hoe de tomaten erbij stonden, ondanks het feit dat ik al tien jaar niet meer gestoomd heb. Andere tuinders kunnen niet meer zonder grondontsmetting. Ze krijgen onmiddellijk last van fusarium, terwijl ik er helemaal geen last van heb. Dat komt door toepassing van wisselteelten en doordat er in de grond ook schimmels zitten die beschermen tegen het fusarium schimmel. Gewone tuinders moeten door die problemen overstappen op twee of drie teelten per jaar terwijl vroeger maar één keer geplant hoefde te worden. De begeleider van de studiegroep die hier laatst was, vertelde mij dat gebleken was dat fusarium het meest voorkwam bij de telers die het vaakst ontsmetten! En fusarium komt ook juist op steenwol vaker voor!


Uitspoeling in de grond.
Grondteelten hebben specifieke problemen en mogelijkheden en vereisen een specifieke aanpak van het probleem van dosering en uitspoeling van meststof­fen.
Biologische glastuinders zijn er niet veel, maar ze vormen wel degelijk een deel van de realiteit in de glastuinbouw. Vooral in verband met de toenemende aandacht voor het milieu en de groeiende markt voor 'natuurzuivere' produk­ten is het voor hen moeilijk voorstelbaar dat hun manier van telen mogelijker­wijs verboden wordt met het argument dat telen in de grond een te zware belasting van het milieu zou geven.

Ik zie niet in waarom ik op substraat zou moeten gaan telen; ik gebruik geen kunstmest en ik bestrijd niet. Ik heb onderbemaling en als het moeilijk wordt, kan ik dat water nog opvangen. Ik heb om de vier meter een draineerbuis liggen en op 80 centimeter pomp ik het water weg.


Deze spreker raakt hier een gevoelig punt. Verbieden van biologische teelten terwille van het milieu lijkt niet logisch, maar met welke argumenten kan men uitzonderingen toestaan? Boven aangehaalde spreker gelooft niet dat aange­kondigde maatregelen voor hem van toepassing zullen zijn en geeft ook aan dat hij mogelijkheden heeft om de uitspoeling verder te beperken door drain­water op te vangen. Ook anderen vinden dat mogelijkheden om de uitspoeling bij grondteelten terug te dringen nog niet zijn uitgeput. Een onderzoeker ver­woordt zijn twijfels bij het huidige beleid.

Telen in de grond kan milieuvriendelijker zijn dan gedacht wordt. Grondteelten gebruiken bijvoorbeeld water uit de sloot en de meststoffen die daarin zitten, worden bij hun nog weer benut. Uit onderzoek blijkt dat bij telers in de grond een grote spreiding is in het gebruik van meststoffen. Bij teelt los van de grond is het gebruik veel hoger, maar de spreiding minder. Die grote spreiding bij teelt in de grond laat zien dat daar nog veel aan gedaan kan worden. Er is nog nooit gekeken naar de mogelijkheden om uitspoeling in grondteelten te beperken.


Hij wordt in feite aangevuld door een echte tuinder, die vertelt over experi­menten om de uitspoeling bij grondteelten te beperken.

Wij zitten ook niet stil. De norm waar men naar streeft, is een emissie van 70 kilo stikstof per hectare. Wij zijn bezig met experimenten met organische meststoffen en met de beheersing van het grondwaterpeil; allemaal buiten het proefstation om. Iemand experimenteert al tien jaar met een lage meststofgift en hoge produktie door beïnvloeding van het waterpeil. Hij pompt schoon water via de draineerbuizen de grond in en zet de grondwaterstand 10 centimeter boven de draineerbuizen. Hij heeft een maximale emissie van 200 kilo, alleen in de herfst als hij de grond doorspoelt, omdat de grond dan te zout is.


Een ander die gedeeltelijk op steenwol en gedeeltelijk in de grond teelt, geeft ook een mogelijk alternatief, dat verder zou kunnen worden uitgezocht.

Misschien is er een oplossing te vinden in de superdrainage. Daarvoor moet je draineren op twee hoogtes, op 80 cm diepte en op 50 cm diepte met onderdruk. Op die manier kan je 90% van de meststoffen weer terughalen. Maar er wordt nauwelijks geld besteed om dergelijke dingen uit te zoeken. Recirculatie voor 100% is leuk als je in Den Haag achter een bureau zit, maar wij moeten het in de praktijk brengen en dan valt het niet mee.


Er zijn meer mogelijkheden. Zo kan men de drainbuizen in de grond dichter bij elkaar leggen, bijvoorbeeld om de halve meter, men kan met grondmonsters nauwkeuriger meten waaraan de grond behoefte heeft en het gebruik van regenwater kan ook een lagere meststoffengift mogelijk maken. Een deskundi­ge van het ministerie geeft met zijn argument tegen telen in de grond aan, in welke richting een ander alternatief gezocht kan worden. Hij verklaart dat het dwaas is te denken dat je in de grond een hoge produktie kan halen met weinig mineralenverlies. Bij een hoge produktie zijn de waternormen niet te halen, maar wanneer een tuinder genoegen neemt met een lagere produktie, kan hij misschien in de buurt komen. Zijn kosten zullen zeker ook lager zijn.
Een dergelijk alternatief past echter niet binnen de logica van de toppers en evenmin binnen de logica van beleid en onderzoek. Een tuinder die zijn inkomen haalt door weinig kosten te maken, moet wel op weg zijn naar de ondergang, zo luidt de redenering.
Folie in de grond op een halve meter of een meter diepte is een tussenweg tussen telen in de grond en telen op substraat. Maar net zoals er bezwaren bestaan tegen telen op substraat, zo bestaan er ook bezwaren tegen telen op folie. De grond wordt dan nog slechts als een soort steenwol gebruikt, om de wortels houvast te geven. Goeie, humusrijke grond kan daarvoor niet gebruikt worden.

Onze goeie grond kan je daarop niet gebruiken, want hij houdt teveel vocht vast en dus krijg je pap onderin. Er moet zand op het folie liggen en dus moeten er weer meer meststoffen gebruikt worden.


Deze tuinder argumenteert dat hij grond van uitstekende kwaliteit heeft en verbaast zich erover dat kwaliteit van grond voortaan van geen belang meer is. We zien hier dat de tuinbouw inderdaad op een splitsing staat: Goeie grond kan worden afgedankt omdat tuinbouw voortaan anders bedreven gaat worden.

Ik heb grond van een hele goeie kwaliteit maar nu zegt zelfs het instituut van bodemvruchtbaarheid al dat we die grond in de toekomst kunnen missen.



5.4. Samenvatting.
Het is duidelijk dat de glastuinbouw geconfronteerd wordt met een gigantisch milieuvraagstuk. Ook de glastuinders zijn over het algemeen doordrongen van de ernst en de omvang van dit vraagstuk. Zodra de oplossingssrichting ter discussie komt, lopen de meningen echter uiteen. De voorgaande bladzijden getuigen hiervan.
De glastuinbouw staat op een tweesprong: substraatteelt en teelt-in-de-grond vormen daarbij de symbolen voor twee verschillende strategieën, die we omschreven als het vérder ontkoppelen van produktie en milieu, dan wel het opnieuw in evenwicht brengen van beiden.
Vooropgesteld moet worden dat noch substraatteelt, noch de teelt in de grond zoals die thans worden bedreven, beschouwd kunnen worden als perfectione­ring van de éne dan wel de ándere strategie. Ze vormen beginpunten. Sub­straatteelt is vanuit milieu-oogpunt nog verre van perfect. Recirculatie is een belofte die nog grotendeels moet worden waargemaakt. Daarbij kunnen problemen rijzen, waarvan men nu het bestaan nog nauwelijks vermoedt.
Teelt in de grond is evenmin perfect. Die zou ook op verschilende manieren verbeterd moeten worden. In het voorafgaande kwamen meerdere tuinders aan het woord die zoeken naar dergelijke verbeteringen. Zij noemden mogelijke innovaties, die uiteraard verder beproefd en ontwikkeld moeten worden.

Te stellen dat substraatteelt de énig mogelijke oplossing is, lijkt ons onjuist. Men kan een verbetering van de teelt in de grond niet bij voorbaat uitsluiten. Onder meer omdat zulks frontaal botst met de ervaringen, overtuigingen en innoverende activiteiten van een deel der glastuinders.
In de huidige discussie wordt de eenzijdige keuze voor perfectionering van substraatteelt soms gelegitimeerd door te stellen dat de bedrijven die niet over (kunnen) schakelen op substraatteelt, een marginale groep vormen die "toch wel verdwijnt". Het zou gaan om te kleine, onvoldoende gemoderniseerde bedrijven, waar te weinig "ondernemerschap" aanwezig zou zijn.
Een dergelijke stellingname is onjuist. In de voorafgaande hoofdstukken menen we te hebben aangetoond dat de grote, meest gemoderniseerde bedrijven niet gehanteerd kunnen worden als maatstaf om ándere typen bedrijven te beoordelen, laat staan te véroordelen. Het gaat om uiteenlopende bedrijfs­stijlen, die elk een specifieke rationaliteit in zich dragen en die elk in beginsel levensvatbaar zijn.

Het zou onzin zijn substraatteelt en een verdere perfectionering van die technologie af te wijzen. Substraatteelt vormt een technologisch model dat goed aansluit bij de stijl van de toppers. Maar een eenzijdige benadrukking van dit specifieke model en uitsluiting van andere technologische ontwikkelingspa­tronen is onjuist en onwerkbaar. De glastuinbouw staat voor een tweesprong en vraagt op dit moment om een gedifferentieerde technologie-ontwikkeling. De overheid moet reageren met een gedifferentieerd beleid. Er moet gewerkt worden aan perfectionering van niet alleen de substraatteelt, maar ook van de teelt in de grond. Onder tuinders is de wil en creativiteit aanwezig om daaraan mee te werken.
Voor de provincie, maar ook voor proefstations en voorlichting, houdt dit een noodzakelijke differentiatie van het beleid naar doelgroepen in; toppers, middenmoters en echte tuinders moet men met verschillende argumenten benaderen. Men zal alle tuinders met eenzelfde pakket van nauwkeurige milieudoelstellingen moeten confronteren, maar de manier waarop tuinders deze doelstellingen realiseren, kan per bedrijfsstijl verschillen. Beleid, weten­schap, voorlichting en onderzoek kunnen uiteenlopende bijdragen leveren om meer rekening te gaan houden met de verschillen tussen de bedrijven. De huidige benadrukking van substraatteelt als enige route naar een meer milieu­vriendelijke tuinbouw lijkt ons een betreurenswaardige omkering van doel en middelen.