Toppers en tuinders

door Ir J.H.Spaan en Dr ir J.D.van der Ploeg




4. GLASTUINBOUWBEDRIJVEN EN DE MARKT.


Tuinders hebben op veel manieren te maken met markten. In het dagelijks spraakgebruik spreekt men vaak van de markt maar in feite is er sprake van complex, voortdurend veranderend geheel van deelmarkten. Dat geldt zowel aan afzetzijde, als ook aan de aanvoerzijde van het bedrijf. De mate nu waarin een tuinderij afhankelijk is van deze deelmarkten kan per bedrijf sterk verschillen. Ze is mede de uitkomst van de strategische beslissingen van de tuinder.
De relatie tot markten hangt samen met de organisatie van het bedrijf. Zoals een tuinder beslissingen neemt over de organisatie van zijn bedrijf en over zijn positie in het proces van technologie-ontwikkeling, zo neemt hij ook beslissin­gen over zijn verhouding tot de diverse deelmarkten. De keuze is tussen afhankelijkheid of autonomie ten opzichte van de markt. De verschillen tussen bedrijven kunnen aanzienlijk zijn. Mede hierdoor komt de verscheidenheid binnen de glastuinbouwsector tot stand. Tuinders hebben dan ook uitgespro­ken opvattingen over de juiste verhouding tussen het eigen bedrijf en de verschillende deelmarkten.
In het institutionele netwerk rond de glastuinbouw heersen duidelijke opvattin­gen over de manier waarop een tuinder zich ten aanzien van de markten behoort op te stellen. Alvorens op die opvattingen in te gaan, zullen we eerst de tuinders zelf aan het woord laten. We zullen dat doen door stap voor stap de diverse markten langs te lopen, de arbeidsmarkt, de kapitaalmarkt, de markten voor diverse variabele inputs en de afzetmarkten.

4.1. De arbeidsmarkt.
Met rond de 35.000 officieel geregistreerde arbeidskrachten vormt de glas­tuinbouw een werkgever van formaat. De mate waarin gebruik gemaakt wordt van arbeid die via de arbeidsmarkt betrokken wordt, varieert van bedrijf tot bedrijf. Sommige tuinders organiseren het bedrijf zodanig dat een hoge inzet van vreemde arbeidskrachten onmisbaar is.

Cherrytomaten vragen veel arbeid; het is dus belangrijk om goed voor de arbeid te zorgen. Je moet er goed mee om kunnen gaan. Er zijn hier vaak 25 mensen aan het plukken, soms 35, meestal huisvrouwen die 's ochtends tot twaalf uur werken. Je moet er zin in hebben om met zoveel mensen te werken. Ik zal niet zeggen dat wij het leuk vinden, want het is veel makkelijker om met weinig mensen te werken. Maar we vinden het in ieder geval niet erg. Een machine is een stuk makkelijker. Je kan hem gewoon aanzetten als je hem nodig hebt en met personeel is altijd wat, de een is ziek, de ander heeft problemen in de familie en de derde wil snipperdagen.


Men beschouwt personeel als een 'noodzakelijk kwaad' voor de bedrijfsont­wikkeling. De aangehaalde spreker vertelt over pogingen om de arbeidsinzet te verlagen maar tegelijkertijd over nieuwe plannen om het bedrijf uit te breiden, hetgeen dan toch weer noopt tot het aantrekken van nieuwe arbeidskrachten.

In het begin liepen hier soms 75 mensen rond en nu nog dertig, veertig. Het knelpunt was het vullen van de doosjes. In de kas zelf valt weinig te automatiseren. Plukken kost veel tijd maar dat houd je toch. Je kan hooguit zorgen dat het personeel een beetje sneller werkt maar veel maakt dat niet uit. Het vullen van de doosjes kostte in het eerste jaar 12.500 uur arbeid, dus daar moesten we vanaf knabbelen. We hebben toen een weeg- en vulmachine gekocht en nu is er nog maar 2.500 uur arbeid.


Je moet er zin in hebben om met veel personeel te werken. "Je moet er tegen kunnen", zo wordt vaak gezegd. Tegenover deze positie is een ándere te onderkennen van de 'echte tuinders', waarin een relatie met de arbeidsmarkt in beginsel wordt afgewezen en in de praktijk tot een minimum wordt beperkt. Werken met beschikbare familie-arbeid geldt voor hen als leidraad, ook waar het gaat om het ontwerpen van verdere bedrijfsontwikkeling: de eigen arbeid is dan ook de beperkende voorwaarde waarbinnen verdere ontwikkeling moet blijven. De commentaren die vanuit deze positie worden gegeven, zijn vaak sprekend:

Een bedrijf moet niet te groot zijn. Als je drie, vier hectare glas hebt, met vijftien man personeel, dan heb je al een beroerte voordat iedereen 's morgens aanwe­zig is. Je moet ervan houden. Er zijn er natuurlijk die het heerlijk vinden om baas te spelen maar dan zeg ik: "Dan moet je een hok vee nemen". Twintig man personeel, dat vind ik níks.


Een dergelijk uitgangspunt sluit overigens niet uit dat er in piekperioden met vreemd personeel wordt gewerkt en evenmin dat er met vast personeel wordt gewerkt. Wat is dan de motivering voor dit uitgangspunt?
Men noemt meerdere argumenten, die berusten op ervaring uit de eigen praktijk en die (voor de eigen praktijk) een bepaalde overtuigingskracht hebben. Een echte tuinder geeft in het volgende citaat een duidelijke argumen­tatie, wanneer hij kritiek levert op grote bedrijven met veel personeel.

Ze hebben minder vaste kosten per meter maar aan de andere kant hebben ze hogere loonkosten. De arbeidsprestaties op kleinere bedrijven zijn hoger dan op grote. Ik heb drie man personeel en daarmee heb ik voldoende overzicht over het hele bedrijf. Een groot bedrijf heeft eerst de baas, dan een chef en dan het personeel. Het contact tussen de baas en het personeel is er minder direct. De groten hebben veel meer zorgen. Er is zoveel te regelen; eigenlijk word je een manager. Het werk doen anderen. Bij mij gaat dat anders. Overdag draai ik gewoon mee en 's avonds doe ik nog allerlei klusjes.


Het werken met weinig vreemd personeel is een doelbewuste keuze die verbonden is met andere overwegingen.

Veel tuinders hoeven niet zo nodig naar vier of vijf hectare te groeien. Bij hun hoef je tenminste ook niet steeds die jammerklachten te horen dat ze geen personeel kunnen vinden.


Bepaalde arbeidsprocessen en bepaalde deeltaken kennen een hoog risico: dat wil zeggen dat een onjuiste werkwijze schade kan veroorzaken. Het werk moet goed gedaan worden. Waar van zulk risico sprake is, komt het belang van familiearbeid -van kwalitatief hoogwaardige arbeid- ook weer naar voren:

Bij suikermeloenen moet je de dieven echt bréken, je mag ze niet afknijpen want dan gaat de plant daar rotten. Dat werk moesten we dus zelf doen, we konden het niet aan personeel overlaten.


Verderop zullen we zien dat andere tuinders vinden dat delicaat werk wél kan worden overgelaten aan personeel. Niettemin vertrouwen de echte tuinders meer op de eigen arbeid. Geen vast personeel geeft meer vrijheid en men heeft niet de noodzaak om het personeel te controleren. Volgens deze tuinders is een nadeel van grote bedrijven dat personeel altijd slordiger werkt dan de tuinder zelf. "Als de baas weg is worden de prestaties van het personeel toch altijd lager", is een typische uitspraak van een echte tuinder.
Door de hoeveelheid vreemde arbeid te beperken, proberen deze tuinders tuinders de autonomie, de onafhankelijkheid ten opzichte van de arbeidsmarkt te handhaven. De wil om zelf te beslissen, om overzicht te houden over het bedrijf is een belangrijk motief om het bedrijf klein te houden. Men heeft hooguit enkele vaste mensen in dienst en benadrukt hoe lang het personeel al in dienst is. Drukke perioden vangt men in eerste instantie zelf op met behulp van gezinsarbeid. "Als het nodig is springt mijn vrouw wel bij en schooljon­gens kan je altijd wel vinden", is een uitspraak die dit illustreert. De opvattin­gen hierover kunnen ook worden afgeleid uit de kritiek die men levert op anderen.

In het Westland werken ze veel met die aanneemploegen maar wij nemen hoogstens af en toe een hulpje van de bedrijfsverzorging.


Aldus een tuinder in de buurt van Barendrecht. Hij vertaalt zijn opvatting over de juiste manier van werken in regionale termen, in een verschil tussen Barendrecht en het Westland. Een bloemkweker uit Rijnsburg maakt eenzelfde opmerking over dit verschil tussen Rijnsburg en het Westland:

Wat moet je in de winter doen? Tulpen zijn een prima oplossing. Belangrijk is dat je toch je mensen hebt lopen. In het Westland werken ze meer met tijdelijke mensen. In de zomer kan je daar werk laten doen door aanneemploegen en dan kan je het werk in de winter zelf bijlopen. Maar probeer hier maar eens tijdelijke mensen te vinden. In het Westland is het een noodzaak omdat ze er geen vaste mensen kunnen krijgen. Het zit niet in het karakter van deze streek, het werken met aanneemploegen. Ze willen hier netter werken, minder van dat gooi- en smijtwerk. Wij doen het heel af en toe, eens in de twee jaar bij het planten of zo.


Deze zegsman wil 'netter werken' met minder tijdelijk personeel. Westlanders doen dat naar zijn zeggen niet. Of dat juist is laten we in het midden maar illustratief is de uitspraak zeker. Wat wij beschrijven als een kenmerk van een bepaalde bedrijfsstijl, wordt door deze zegsman beschreven in regionale termen. Het is een feit dat tuinders in Rijnsburg of in Roelofarendsveen de tulpenbroei aanhouden om in de winter aan het werk te kunnen blijven. Men geeft de voorkeur aan vast eigen personeel boven het inschakelen van tijdelijk personeel in voorjaar en zomer. Daarbij negeert men de adviezen van bijvoor­beeld de voorlichting.

De voorlichting probeert het tulpenbroeien af te remmen. Ze zijn kritisch over het economisch rendement. Ze zeggen dat je weinig overhoudt van tulpenbroeien en waarom zou je dan dat risico nemen? Ik ben het er wel mee eens maar noem me maar een gewas dat in de winter wél rendement oplevert. De winter is nou eenmaal een rottijd om te produceren.


Men houdt tulpen aan en zoekt naar andere manieren om in de winter aan het werk te blijven. Op die manier behoudt men het vaste personeel, hetgeen ook van invloed is op de onderlinge verhoudingen binnen het bedrijf.

Op grotere bedrijven verlopen contacten met het personeel veel moeizamer. Met twintig man moet je een hele hiërarchie hebben in het bedrijf. Daar hebben wij geen last van. Wij bespreken hier alles met het personeel, investeringen, plantmateriaal en dergelijke. Er zijn er hier twee officieel de baas maar we hebben geen baas/knecht verhouding. Dit soort bedrijven is ook aantrekkelijker voor het personeel. Ze vinden het hier leuker omdat ze steeds wat anders te doen hebben en af en toe ook buiten aan het werk zijn.


Tot zover de echte tuinders die hun afhankelijkheid van vreemde arbeid willen beperken. Daartegenover staan de toppers die personeel beschouwen als een 'noodzakelijk kwaad', zoals we eerder al bespraken. Een van hen geeft zijn commentaar op de familiebedrijven:

Die echte familiebedrijven op zevenduizend meter zijn op zaterdag nog aan het werk, terwijl wij op vrijdagmiddag al aan de pils zitten. Die van zevenduizend meter rekenen hun arbeid niet en zijn dan zogenaamd goedkoper maar dan vraag ik: is dat een eerlijke berekening. De arbeid van de gezinsleden ligt bij hun teveel in de weegschaal.


Een ander maakt zijn positie duidelijk door te stellen dat hij zijn vrouw niet in de tuin wil hebben.
Een groenteteler met een groot bedrjf ontkent het eerder genoemde argument van een echte tuinder dat delicaat werk niet aan personeel kan worden overgelaten en dat op grotere bedrijven minder nauwkeurig gewerkt wordt.

Dat blijkt dus niet zo te zijn. De economen leren dat een bedrijf van tienduizend meter optimaal is maar ik bestrijd dat. Wij hebben een hogere produktie dan andere bedrijven. Juist door specialisatie kan je ook het moeilijke werk beter doen. Er is een heleboel werk dat het personeel beter kan dan ik. Iedereen in het bedrijf heeft zijn deelterrein. De een is verantwoordelijk voor de techniek, de ander regelt de kwaliteitscontrole. Verder hebben we een specialist in biologi­sche bestrijding die meegaat naar de studieclub en naar speciale cursussen. Met zijn kennis stellen wij een plan op voor de bestrijding van volgend jaar. Een groot voordeel is dat je problemen met elkaar kan doorpraten.


Deze spreker ziet het probleem van de kopzorg volstrekt anders dan de eerder aangehaalde tuinder:

Een kleine tuinder moet niet alleen het werk goed doen, hij moet met allerlei ándere zaken ook rekening houden en denkt: "Ik moet nog dit en ik moet nog dat". Personeel bij mij heeft niet veel kopzorg, loopt te denken over TV, voetbal of over een vriendinnetje en kan dus nauwkeurig werken.


Over de vraag wie nauwkeuriger werkt, iemand die eigen baas is of een personeelslid dat gespecialiseerd is in een bepaalde deeltaak, lopen de menin­gen ver uiteen. Echte tuinders of middenmoters houden vol, soms met gegevens van de studieclub in de hand, dat grotere bedrijven over het alge­meen een lagere produktie per meter halen dan de kleinere. De grotere extensieve bedrijven, de rauwdouwers, halen inderdaad een lagere produktie en misschien ligt de produktie van bedrijven met meerdere hectare lager dan het gemiddelde. Maar voor de toppers gaat dit alles niet zonder meer op en men kan geen haastige conclusies trekken.
Ook op andere punten lopen de meningen uiteen. Eerder haalden we een tuinder aan die al een beroerte zou krijgen voordat er maar een uur gewerkt was maar toppers zien dat anders. Eén van hen benadrukt de voordelen van werken met vreemd personeel en via uitzendbureaus. Vroeger had hij een kleiner bedrijf en hij geeft toe dat hij moest wennen.

We werken nu met méér mensen en in het begin moet je eraan wennen te werken met uitzendbureaus. Dat waren we vroeger niet gewend, want je had vakmensen nodig en je zocht je mensen in je eigen kringetje. Nu zie ik wel de voordelen van uitzendbureaus, bijvoorbeeld als je vaste personeel met vakantie is, of als er een paar ziek zijn. Sommigen worden gek van al dat personeel maar ik blijf er tegenwoordig heel rustig onder. Als er een persoon niet is heb je er wel de pest in maar moet je gewoon een uurtje doorwerken. Als op een klein bedrijf iemand niet aanwezig is, moet de rest gelijk veel langer door­werken.


Het aantal personeelsleden heeft hoe dan ook invloed op de organisatie van een bedrijf. Tuinders met veel personeel hebben specifieke problemen en specifieke strategieën om daarmee om te gaan. De coördinatie tussen waarne­mingen die men in het produktiewerk doet en de strategische beslissingen die men hierover neemt, moet in een groot bedrijf op de een of andere manier georganiseerd worden (een kleine tuinder is waarnemer én beslisser tegelijker­tijd). Een mogelijkheid om die coördinatie te vergemakkelijken is gelegen in vergroting van de betrokkenheid van het personeel.

Vanaf het begin hebben we sterk gelet op de organisatie van het bedrijf. Want het zijn toch de mensen die het doen. Een kas, een ketel, apparatuur, alles kan je kopen maar het bedrijfsresultaat hangt toch voor zeventig procent af van de prestaties van het personeel. Je moet het personeel verantwoordelijkheid geven en betrekken bij de resultaten. Door invoering van een winstdeling van tien procent willen we nu proberen om de inzet van het personeel te verbeteren. Want niemand vindt het leuk als hij minder presteert dan een ander of dan het jaar ervoor; tenminste, zo denk ik dat de mens in elkaar zit.


Een ander middel om voldoende produktieresultaat te garanderen is controle en registratie van de prestaties van het personeel. Introductie van vormen van taylorisatie kan dan van pas komen.
Taylorisatie is het opdelen van het arbeidsproces in alle daarvoor benodigde deelhan­delingen, zelfs in de verschillende bewegingen die een arbeider moet maken om een optimaal werkproces te vinden. Het is genoemd naar de Amerikaanse arbeidseconoom Taylor die in het begin van deze eeuw onderzoek deed.

Op een gegeven ogenblik hebben we een computerweegschaal aangeschaft. Plukkers hebben een nummer en de paden in de kas ook en zo weten we waar het meest geplukt is en door wie. Dat heeft een gunstige invloed. Wij hoefden alleen in het begin te controleren. De plukkers zien zelf wat ze geplukt hebben. Veertig kilo is normaal en als je dertig geplukt heb dan weet je dat je er iets aan moet doen. Zo controleren ze zichzelf en elkaar.


Door registratie is het mogelijk te zien waar dingen mis gaan en er op te reageren.

Het is belangrijk om prestaties in de gaten te houden. Vorige week was er een dubbele ploeg bezig geweest met planten en daar was 25 procent meer tijd in gaan zitten dan normaal. Kennelijk was het erg gezellig geweest. Dat is helemaal niet erg. Maar ik heb er toch even een opmerking over gemaakt en nou zag je gisteren dat het planten 15 procent sneller was gegaan dan normaal. Zo komt het toch weer in evenwicht.


In de chrysantenteelt is de registratie in feite sterk toegespitst op registratie van de arbeidsprestaties. In schrijfgroepen noteert men de taaktijden. De taaktijd is alle tijd die besteed wordt aan het poten, het gaas ophalen, de oogst en dergelijke voor de produktie van honderd takken. Kassen met een ongunstige lengte-breedte verhouding hebben een ongunstige taaktijd. De omvang van de produktie is hier niet doorslaggevend zoals in de groente maar de snelheid van de produktie en de hoeveelheid arbeid die nodig was voor de produktie. Produktiedoelstelling en controle op arbeid zijn in deze sterk gestandaardiseerde teelt nauw met elkaar verweven geraakt. Taylorisatie is hier sterk tot ontwikkeling gekomen. Naast Taylorisatie wordt ook veelvuldig gebruik gemaakt van de mogelijkheid bepaalde deeltaken te externaliseren:

Omdat het poten rotwerk is, heb ik dat uitbesteed. Ik laat het doen door een vaste pootploeg. Ik kan natuurlijk twee man meer in dienst nemen en zelf poten maar je kan dan toch op een gegeven moment klem komen te zitten.


In de groenteteelt ligt dat een beetje anders. Jaarrond-groenteteelten hebben in de loop van het jaar een tamelijk constante arbeidsbehoefte. De keus voor vast personeel kan men hier gemakkelijker doen. Een topper met een bedrijf van gemiddelde grootte ziet een verschil tussen hem en de rauwdouwers.

Per meter hebben wij een hogere kwaliteit mensen rondlopen hier. We zouden best groter kunnen worden, als we het huidige personeel aanvullen met buiten­landers. Met vast personeel werk je nauwkeuriger, ook de gewasbescherming bijvoorbeeld, want het scheelt of je zélf erin moet werken of een ander. Als er op een gegeven moment weer een nieuwe kracht aan het werk is en je ziet dat hij iets fout doet, dan denk je al gauw: "Nou ja laat maar, want straks loopt er toch weer een ander".


De mate van integratie van tuinbouwbedrijven in de arbeidsmarkt correspon­deert sterk met de bedrijfsgrootte. Dit is bijna vanzelfsprekend; grote bedrijven hebben een grote arbeidsbehoefte en moeten derhalve via de markt arbeids­krachten aantrekken. De verscheidenheid op dit punt kan men dus, meer dan bij de andere in dit onderzoek behandelde onderwerpen, beschrijven in termen van groot en klein. Toch kan men ook een onderscheid maken in bedrijfsstij­len. In hoofdstuk 2 zagen we dat de echte tuinders gemiddeld kleinere bedrijven hebben dan de toppers en dat zij minder op de arbeidsmarkt geori­ënteerd zijn. Het sterkst op de arbeidsmarkt georiënteerd zijn echter niet de toppers (die vrij vaak werken met vast personeel) maar de grotere bedrijven die wij in hoofdstuk 2 rauwdouwers genoemd hebben.

4.2. De kapitaalmarkt.
Een belangrijke markt is ook de kapitaalmarkt. In de houding ten opzichte van het lenen van kapitaal is een grote verscheidenheid te constateren tussen tuinders. 'Zwaar zitten' is een veelbesproken onderwerp, er wordt eindeloos doorgepraat en soms zelfs opgeschept over schulden. Tuinders nemen hierover dan ook bewuste, weloverwogen standpunten in.
De houding ten opzichte van het lenen van kapitaal wordt, net als ten opzichte van het werken met vreemde arbeid waarover we het hiervoor gehad hebben, vaak gezien als een kwestie van regionale mentaliteitsverschillen. Een groente­teler uit de Hoekse Waard hierover:

Over het algemeen is de mentaliteit hier voorzichtig. Men investeert liever drie keer een beetje dan in een keer een hoop. In Bleiswijk zetten ze in een keer twee hectare glas neer en dan hoor je van die bluf©verhalen: "De bank laat mij toch niet springen, want daarvoor hebben ze teveel belangen in de zaak". Je kan niet zeggen dat het gokkers zijn, het is gewoon een andere mentaliteit. Ze zijn toch toonaangevend van daaruit gaat veel kracht naar de buitengebieden.


Bepaalde tuinders zijn terughoudender in dit opzicht dan anderen. Het is mogelijk dat men in het Zuidhollands glasdistrict meer risico's neemt en dat men elders voorzichtiger is. We willen hier slechts vaststellen dat de verschil­len bestaan en dat er tuinders zijn die proberen "niet te zwaar te zitten". Dat zijn met name de echte tuinders.

"De een is meer gewend ermee om te gaan dan een ander", merkt een echte tuinder op over het werken met hoge schulden, waarbij duidelijk is dat híj er niet aan gewend is. Het is een zelfde soort argument dat we al bij de behande­ling van de arbeidsmarkt hoorden, namelijk dat je ervan moet houden te werken met veel personeel. Veel tuinders willen niet teveel schulden hebben omdat zij het risico van een faillissement niet willen lopen of omdat zij niet bereid zijn zware rentelasten te dragen. Het alternatief is investeren wanneer oude schulden zijn afgelost of zodra er een goed jaar geweest is.

Het zit wel in mijn achterhoofd om nieuwbouw te plegen maar het hangt af van een nieuw teeltplan en ook van de resultaten die ik komend jaar zal boeken. En op dit moment heb ik weinig geld ter beschikking. Ik heb geen zin om me diep in de schulden te steken; ik doe het liever een beetje ontspannen.


Het is een manier van werken die een ander associeert met vroeger.

Het investeringsgedrag is veel veranderd. Vroeger werd meer geleidelijk vervan­gen. Als het goed was gegaan aan het eind van het jaar, dan werd er gevraagd: "Jongens, kunnen we nog wat bouwen?". En dat gebeurde dan met eigen geld.


Dat er tegenwoordig meer geleend wordt dan vroeger, bevestigt een oudere tuinder die zijn bedrijf al jaren geleden aan zijn zoon heeft overgedaan.

Als je twintig of vijfentwintig jaar geleden naar de bank ging omdat je een kas wilde bouwen van 20.000 gulden, dan moest je zelf 10.000 gulden op tafel kunnen leggen. Als je tegenwoordig vraagt om een lening van 10.000 gulden, zeggen ze: "Nee Jansen, je mag 150.000 gulden lenen als je dit of dat doet en als je die en die kas afbreekt". Anders vinden ze het niet economisch. Een bedrijf opbouwen was vroeger makkelijker. Je had een warenhuisje en als het een keer goed gegaan was bouwde je er weer een stukje bij. Nu zeggen ze dat je al niet meer met duizend ramen kan beginnen.


Toch kunnen we terughoudendheid in deze niet afdoen als ouderwets, daarvoor is het voor veel tuinders nog een té centraal uitgangspunt voor het handelen. Het is de keuze van tuinders om de relatieve autonomie ten opzichte van de kapitaalmarkt en ten opzichte van de technologische modellen die worden voorgeschreven bij het aangaan van leningen, te handhaven.
Een voorlichter uit Barendrecht geeft een voorbeeld waaruit blijkt dat sommi­gen pas investeren wanneer ze geld ter beschikking hebben.

Ze dóen maar wat: "Ik heb dit jaar goed verdiend, ik kan wel een stuk kas bouwen", zeggen ze dan. Er is hier iemand met vrij veel grond, ook gehuurd, die zesduizend meter glas had laten bouwen en mij opbelde: "Joh, we moeten eens praten over een teelt die we in mijn nieuwe warenhuis kunnen zetten". Het kan natuurlijk goed uitpakken maar meestal is het niet goed.


Als investeringen afhangen van de financiële situatie, dan betekent dat veelal dat moment en omvang van investering niet vantevoren kunnen worden vastgesteld. Een dergelijke aanpak brengt met zich mee dat men verbeteringen of uitbreidingen moet doorvoeren op een niet helemaal zekere termijn in de toekomst. Men moet wachten tot zich een mogelijkheid voordoet. "Al met al duurt het een hele tijd voordat je iets opgebouwd hebt", zegt de hierboven aangehaalde tuinder.
De echte tuinders willen bewust afstand van de kapitaalmarkt bewaren. Het is een van de mogelijkheden om meer in het algemeen de autonomie te bewaren, m.a.w. de zeggenschap over het bedrijf in eigen hand te houden. Het is een manier om minder afhankelijk te zijn van gebeurtenissen of ontwikkelingen die zich afspelen buiten het eigen bedrijf. Door het lenen van geld raakt een bedrijf een deel van zijn autonomie kwijt; om het in abstractere termen uit te druk­ken: het bedrijf raakt in versterkte mate afhankelijk van "de markt". En dat is wat de echte tuinders trachten te vermijden.

Tegenover de strategie van de echte tuinders staat die van de toppers. Deze tuinders werken meer planmatig, zij willen op een vastgestelde termijn een investering doen en zijn bereid de consequenties daarvan te dragen.
Voor de toppers is investeren, de ontwikkelingen volgen, het devies. Je moet immers "bijblijven" en dat betekent vaak vernieuwen. De regelmatige vernieu­wingen vinden soms eens in de tien jaar plaats, soms nog vaker. Verhuizen is ook een mogelijkheid die regelmatig door deze tuinders in overweging wordt genomen. Het zal duidelijk zijn dat een dergelijk snelle vernieuwing vooral mogelijk is, wanneer men krediet opneemt, met andere woorden wanneer men het benodigde kapitaal betrekt op de markt.
Een topper illustreert deze gedachtengang. Het is logisch dat je moet investe­ren en schulden maken. De kunst is dat te doen zonder dat het mis gaat.

Ik weet niet wat het beste is, veel investeren of weinig investeren. De goede bedrijven zijn de bedrijven die niet failliet gaan. Er zijn bedrijven die veel risico's nemen. Het voordeel daarvan is dat de anderen er weer van kunnen leren. Bovendien ben je haast gedwongen om te investeren als je veel verdient, alleen al omdat dat dat enorm scheelt voor de belastingen.


De goede bedrijven zijn in deze redenering de bedrijven die het beste langs het randje werken; goed ondernemerschap is risico's nemen. En ook als het fout gaat, heeft dat nog een positief effect, namelijk dat anderen er van kunnen leren. Deze spreker maakt tevens duidelijk dat de toppers zich door de belastingen haast gedwongen voelen te investeren. "Eigenlijk kun je zeggen dat de belasting de vooruitgang heeft gebracht", vult hij aan. Dit laatste argument wordt regelmatig genoemd maar door de echte tuinders verworpen:

Ach, er zijn altijd wel manieren om de belasting te drukken. In de praktijk is investeren alleen maar uitstel van belasting betalen.


De toppers zélf willen bijblijven maar ook de omgeving is van invloed op het gedrag van de tuinder. Deze omgeving dringt aan op een snelle introductie van technologische vernieuwingen zoals we eerder al besproken hebben.

Er gaan er altijd wel een paar failliet. Vaak zijn het jongere ondernemers die vantevoren niet alles goed op een rijtje gezet hebben. In de buurt was er iemand die op een gegeven moment resoluut omschakelde. Zijn kas was aan vernieuwing toe, want hij lekte teveel. Dan komt de voorlichting, die doet er een schepje bovenop en stelt voor meteen over te schakelen op substraat.


Een middenmoter beklaagt zich over de invloed die soms ook door banken wordt uitgeoefend.

Ik kan het niet helemaal meer volgen. Ik weet iemand die tweedehands een kas van één hectare wilde kopen en een heleboel eigen geld inbracht. De bank wilde dat niet financieren. Tegelijkertijd kreeg iemand anders toestemming om hele­maal nieuw twee-en-halve hectare neer te zetten bijna zonder eigen geld. Soms mogen ze er zelfs meteen een huis bijzetten van zes ton!


Een kenner van de glastuinbouw en pleitbezorger van snelle vernieuwingen vindt faillissementen betreurenswaardig maar onvermijdelijk. Het is de prijs die betaald moet worden voor het in stand houden van de technische vooruitgang en voor het behoud van de positie op de internationale markt van de Neder­landse glastuinbouw. Faillissementen zijn een onderdeel van die ontwikkeling en hij geeft toe dat met name de modernste bedrijven risico's lopen.

Zeker, It's all in the game. Faillissementen moet je niet dramatiseren. In de periode van 1975 tot 1980 was iedereen in de winning mood. De RABO heeft toen ook wel riskante gevallen gesteund. Met name in de periode 1980 tot 1985 waren het grotere bedrijven die over de kop gingen, toen de energiekosten en de rentelasten en de kosten van arbeid zo sterk omhoog gingen. Steeds meer kosten waren "out-of-pocket-money" en er zijn de nodige moderne bedrijven tegen de lamp gelopen.


Deze deskundige is van mening dat degenen die failliet gaan minder goede ondernemers zijn en bevestigt daarmee wat een eerder geciteerde tuinder zei, namelijk dat goede tuinders degenen zijn die niet failliet gaan. De grens tussen beide, tussen goed en slecht, is smal. Want het gaat erom de eerste periode na het aangaan van een hoge lening te overleven en die overleving kan van veel kleine dingen afhankelijk zijn. Dat is het risico van de marktafhanke­lijkheid, een afhankelijkheid die voor de ene tuinder vanzelfsprekend is maar die de andere zoveel mogelijk wil vermijden.

4.3. Variabele kosten.
Behalve op de arbeids- en de kapitaalmarkt kunnen tuinders ook op andere terreinen een zekere onafhankelijkheid ten opzichte van de markt handhaven. Zo bestaat er de mogelijkheid om de variabele kosten voor bijvoorbeeld verwarming, water, plantmateriaal, bestrijdingsmiddelen en meststoffen al dan niet te beperken. Ook hier zien we dat toppers en echte tuinders zich verschil­lend gedragen. Toppers vinden dat je niet teveel moet bezuinigen op dergelijke uitgaven.

Wij zijn ervóór om energie te besparen maar het mag niet gaan ten koste van de produktie. Daarom berekenen we ook alles, om te zien wat het uitmaakt.


Het hergebruiken van substraat kan wel maar de toppers zullen daar toch voorzichtig mee zijn.

We nemen elk jaar nieuwe matten. Als je ze hergebruikt ben je een halve gulden de meter goedkoper uit maar die matten moeten een produktie van negentig gulden opleveren, dus dan kan je die vijftig cent beter niet besparen. We zouden de matten kunnen stomen maar in de periode rond kerstmis hebben we het al druk genoeg. Het is wel slechter voor het milieu natuurlijk.


Deze tuinder bekritiseert anderen die te zuinig zijn, omdat dat uiteindelijk verkeerd uitpakt.

Er zijn er die enkel kijken naar de kosten, ze stoken lager, ze hebben weinig mensen in dienst maar ze vergeten dat dat ten koste van de opbrengsten kan gaan.


Een deskundige voegt hieraan toe dat veel tuinders te weinig kosten maken omdat zij vijftig cent willen besparen. Op veel bedrijven zouden vijftig cent extra kosten een opbrengstverhoging opleveren van een gulden en zolang dat zo is, is bezuinigen verkeerd.
Niettemin aarzelen de echte tuinders die kosten te maken. Een potplantenteler uit Rijnsburg geeft hiervan een duidelijk voorbeeld.

Ik zei laatst nog tegen iemand: als ik bakker was, dan zou ik alles ook in eigen hand willen houden, van het meel tot aan de verkoop aan de klant. Het mooie van de hortensia's is dat er zo weinig geld in hoeft. Stekken kopen kost 45 cent maar zelf kunnen we per uur 500 plantjes stekken, dus dat heb je heel snel verdiend. We maken nu weinig kosten en dat is beter dan wat we vroeger hadden. Tulpen en hyacinten gingen aardig maar de kosten waren enorm. Als we veilden voor 130.000 gulden, dan hadden we al 100.000 aan kosten gemaakt met geleend geld.


Een groenteteler geeft een ander voorbeeld:

Water haal ik gewoon uit de sloot. Er was niemand die dat durfde maar zo ging het vroeger ook, dus waarom zou het nou niet gaan? Het slootwater hier heeft een EC van één en dat is niet hoog. Als ik de waterbak laat vollopen, heb ik zo weer een tientje verdiend en de kunstmest die anderen hebben laten weglopen, krijg ik er gratis bij.


Een mogelijkheid die de echte tuinders veelvuldig noemen, is beperking van de stookkosten. Maar hun neiging tot uitgavenbeperking gaat verder, want ook in het gewone groeiseizoen zetten zij de temperatuur vaak lager dan anderen:

Wij stoken minder dan anderen. De voorzitter van de studieclub zegt dat de ideale voornachttemperatuur 14 graden is maar waarom hij dat zegt weten we eigenlijk niet. Een koude nacht moet zorgen voor voldoende vruchtbaar heid van het gewas. Onze twaalf graden geeft geen enkel probleem, we hebben net zoveel vruchten als anderen.


Een biologische tuinder rekent voor dat de verschillen in stookkosten met gewone bedrijven aanzienlijk kunnen zijn. Voor hem is de beperking van de stookkosten overigens noodzaak omdat dat geëist wordt bij de verlening van een eco-licentie.

Ik denk dat ik de buizen kouder heb dan anderen. Tomaten plant ik in de derde week van januari, terwijl de gangbare tuinders al in december uitplanten. In totaal verstook ik voor 50 tot 60.000 gulden, terwijl gangbare bedrijven toch wel aan de anderhalve ton komen.


De echte tuinders hebben een andere praktijk dan de toppers en typerend is dat een van hen als bezwaar tegen de nieuwste ontwikkelingen de stookkos­ten als argument noemt.

Radijs zetten ze nu ook in hoge kassen. Ze zeggen dat dat nodig is voor een goede luchtcirculatie maar ik zou zeggen dat het alleen maar extra stookkosten geeft.


Uit bovenstaande voorbeelden kunnen we concluderen dat echte tuinders daadwerkelijk een andere redenering volgen dan de toppers die zeggen dat een kwartje bezuiniging leidt tot vijftig cent minder opbrengst.
Een andere mogelijkheid om de kosten te beperken is de selectie en de vermeerdering zelf in eigen hand te houden. In het overzicht dat we in hoofdstuk 2 hebben gegeven blijkt dat onder de echte tuinders meer bedrijven zijn die op een of andere manier nog een eigen selectie hebben. Een van de toppers met een eigen selectie maakt, typerend genoeg, duidelijk dat het gewoon een kwestie is van afweging:

De tuinders die ik ken, maken gewoon een kosten/baten analyse en kiezen dan. Paarse paprika's zijn een kleiner gewas en daarmee zijn ze nog niet zover maar zodra er een hybride ras op de markt komt dat 25 % meer oplevert, dan stap ik natuurlijk ook over.


De echte tuinders hebben een eigen selectie omdat zij bijzondere gewassen hebben, of ze zeggen dat ze slechts "voor de aardigheid" zelf selecteren.

Zaad van sla en koolrabi kweek ik zelf op. Er zijn er niet veel die dat doen, want het is niet echt voordelig. Ik doe dat voor de aardigheid. De meesten kopen de plantjes bij de plantenkweker. Van de bleekselderij koop ik de plantjes wel.


Het is mogelijk dat deze zegsman aardigheid heeft in deze activiteit maar tegelijkertijd beperkt hij zijn kosten en behoudt hij zijn ervaring in een deel van het vak, ervaring die anderen zijn kwijt geraakt aan gespecialiseerde selectie­bedrijven.
Door een activiteit een "hobby" te noemen, of een "aardigheid", dekken boeren of tuinders zich vaak in tegen uitspraken in de sfeer van onderzoek of voorlichting, tegen het verwijt dat dergelijke activiteiten on-economisch zouden zijn.

4.4. Specialisatie of meerdere teelten.
In het voorafgaande bespraken we de mogelijkheden om in meerdere of in mindere mate de produktiemiddelen arbeid en kapitaal en de variabele produk­tiemiddelen te betrekken via de markt, nu willen we ingaan op een ander aspect dat van belang is in de relatie tussen glastuinbouwbedrijven en de markt. Tuinders kunnen kiezen tussen het specialiseren op één teelt of het aanhouden van meerdere teelten. Zij kunnen zich met andere woorden oriënte­ren op één of op meerdere afzetmarkten. De keuze om te specialiseren, om minder teelten aan te houden of slechts één teelt jaarrond, leidt in onze opvatting tot een vergroting van de marktafhankelijkheid. Voor het aanhouden daarentegen van meerdere teelten gebruiken tuinders vaak het argument van risicospreiding en het is dan ook een manier om de afhankelijkheid van omstandigheden buiten het bedrijf te beperken.

Specialiseren.
Door specialisatie worden bedrijfsresultaten in sterkere mate afhankelijk van de specifieke omstandigheden, van de marktprijs met name maar ook van ontwikkelingen in teelttechnieken en de aanpassing daaraan.
Specialisatie vergroot een bepaalde afhankelijkheid maar geeft ook mogelijk­heden. Op die mogelijkheden gaan we eerst in.
In het institutionele netwerk rond de tuinbouw overheerst de opvatting dat het beter is als tuinders specialiseren en hun bedrijf inpassen in het omvangrijke systeem dat het individuele bedrijf verbindt met de markt. Een beleidsambte­naar van het ministerie is daarover heel duidelijk.

De producenten moeten specialiseren, ze moeten alles weten van niets: ze moeten alles weten van één produktietak. De veiling moet het bij elkaar voegen en kan zo zorgen dat er een directe verbinding is tussen de kleine gespecialiseer­de tuinder en de wereldmarkt. Dat is uniek en dat moet in stand gehouden worden. Ik was in Roemenië op een bedrijf met 250 hectare glas. Dat is veel maar eigenlijk zijn wij veel groter. Via de veiling hebben wij een veel grootschali­ger produktie-apparaat.


Deze deskundige zal specialisering niet gauw omschrijven als het afhankelijk worden van de markt, hooguit als het aanpassen aan de marktverhoudingen en liever nog als een rationele bedrijfsontwikkeling.
Het zijn met name de toppers die zich gespecialiseerd hebben op één teelt en voor hen is de waarheid vrij eenvoudig: "Als je een topproduktie wilt halen, moet je specialiseren", zegt een chrysantenkweker. En een paprikateler vult aan: "Ik vind niks mooier dan één kleur en één soort". Een tomatenteler erkent ruiterlijk dat zijn bedrijf minder afwisseling laat zien dan sommige andere bedrijven:

Die kleinen hebben een afdeling zus en een afdeling zo. Als je bij ons een deel van de kas gezien hebt, dan weet je: de rest is hetzelfde.


Gespecialiseerde bedrijven hebben gekozen voor één teelt en daarmee is de kous af. Argumenten voor specialiseren worden het meest genoemd door degenen die nog niet helemaal gespecialiseerd zijn, die zich nog die kant op ontwikkelen. Zij praten erover omdat zij nog met het probleem zitten.

De specialisatie hier gaat heel hard. Je ziet steeds minder bedrijven met een stukje dit, een puntje dat en een kasje zo. In de studiegroep gemengde bedrijven valt het onmiddelijk op dat bedrijven met enkele teelten het het beste doen in die teelten. In de drie, vier teelten die wij hebben, zijn we bij de beteren.


Nadelen van veel soorten zijn nogal voor de hand liggend, want ze moeten allemaal op verschillende manieren verpakt worden en de ontsmetting is ook verschillend per soort. "Je bestrijdingsmiddelenkast lijkt dan wel een apo­theek" zegt iemand daarover. Iemand die van zomerbloemen is overgeschakeld op rozen, spreekt over zijn slechte ervaringen met veel teelten naast elkaar.

Al die verschillende teelten tezamen kan je moeilijk in de hand houden. Een of twee keer per jaar liep het arbeidsschema volledig in de soep. Een kas fresia's met dit warme weer is niet bij te houden. Je werkt je een ongeluk en met name wanneer anderen het ook doen en de prijs in elkaar zakt. Op een gegeven moment heb ik trosrozen genomen en die hebben de andere bloemen weggecon­curreerd. Want als je bezig bent met een snee rozen, kan je het niet hebben dat het gipskruid in bloei komt te staan.


Een biologische tuinder beklaagt zich ook over een teveel aan teelten. Om biologische tuinbouw mogelijk te maken is teeltwisseling noodzakelijk en is het dus onvermijdelijk teelten naast elkaar te hebben.

Om vijf, zes gewassen teelttechnisch bij te houden moet je echt op je tenen lopen. Degenen met één teelt hebben veel meer dieptekennis.


Gemengd bedrijf.
Er zijn verschillende argumenten om niet te specialiseren. Een aantal daarvan keert telkens terug in de gesprekken. Het behoud van de kwaliteit van de grond (waarop we nog zullen terugkomen) is zo'n argument. Een ander argument is de bloeispreiding die mogelijk is wanneer men meerdere teelten heeft (gespecialiseerde telers klagen nou juist over slechte planbaarheid waardoor plotseling alles tegelijk in bloei komt).
Risisospreiding is een ander argument. "Als je teveel aan één kapstok hangt dan breekt hij", is een oude ervaring die voor tuinders nog steeds overtui­gingskracht heeft. We zullen enkele tuinders hierover aan het woord laten.

Het zou makkelijker zijn om één kleur paprika's te kiezen, want meer kleuren geven meer werk. Maar zo heb ik meer lol in mijn werk en het is een risico­spreiding. Als de paarse paprika's dertig cent minder opbrengen, gaan de anderen misschien weer beter. We hebben bewust gekozen voor meerdere teelten. Specialiseren vonden wij eng omdat met één gewas in een slecht jaar het hele bedrijf in moeilijkheden komt. Bovendien krijg je problemen met je grond als je één gewas hebt; wisse­ling van teelten is beter. Jaarrond chrysanten verliezen in de loop van het seizoen kwaliteit en wij komen dan in het najaar met chrysanten met zware takken.


Toch is risicospreiding misschien niet het belangrijkste argument. Het veiling­systeem biedt tegenwoordig bescherming tegen prijsfluctuaties waardoor risicospreiding een andere betekenis heeft gekregen dan het vroeger had. In de huidige situatie heeft de voorlichter gelijk die zegt dat ook jaarrond telen een vorm is van risicospreiding.

Ze vergeten dat jaarrond telen ook een manier is van risicospreiding: als het in het voorjaar niet goed gaat, kan het in de zomer of in de herfst nog wel herstel­len.


Een belangrijker argument is dat men de keuzevrijheid verliest wanneer het slecht gaat met een teelt waarop men zich heeft gespecialiseerd.

Als je specialiseert raak je kennis van andere teelten kwijt en na een tijdje kan je het niet meer. Ik kan nu nog overschakelen naar andere gewassen door uit te breiden en door in te krimpen als dat beter uitkomt.


Dat is de manier waarop men zijn zelfstandigheid handhaaft en waarop men de mogelijkheid behoudt om zich aan te passen aan veranderende omstandig­heden. Daardoor onderscheiden de tuinders met meerdere teelten zich van degenen die zich op één teelt gericht hebben. De laatsten zijn afhankelijk geworden van de markt, van zaken die buiten het bedrijf worden vastgesteld. En de `dieptekennis` die nodig is voor gespecialiseerde teelten, is kennis die veelal in onderzoek door deskundigen is ontwikkeld, in mindere mate door de tuinders zelf. De afhankelijkheid neemt ook in dat opzicht toe.
Het is niet zo dat de toppers meer met de markt te maken hebben dan de echte tuinders, het is eerder zo dat de echte tuinders een aantal "vrijheidsgra­den" behouden hebben die de toppers zijn kwijtgeraakt.
De voordelen van specialisatie zijn evident en er zijn talloze voorbeelden waaruit blijkt dat specialisatie zijn rendement oplevert. Toch zijn er tuinders die de nadelen van specialisatie en de voordelen van meerdere teelten bena­drukken. Het is een keuze die men doet in de ontwikkeling van het eigen bedrijf.

Ik ben gewoon blijven doen wat ik vroeger deed. Het kan een tijdje minder gaan met een teelt, er stappen bedrijven over naar andere teelten en als je lang genoeg doorgaat ben je nog een van de weinigen en worden de prijzen van bijvoorbeeld spinazie weer prima.


Meerdere teelten naast elkaar aanhouden is in feite een andere manier van tuinbouw bedrijven. Terwijl een tuinder met gemengd bedrijf kennis heeft (wil hebben) van meerdere teelten, moet een gespecialiseerde tuinder het hebben van zijn dieptekennis van één gewas. Tuinders met een gemengd bedrijf hebben minder dieptekennis en willen van veel teelten een beetje weten om de keuze van gewassen in eigen hand te houden. Men is zich ervan bewust dat het behoud van deze keuzevrijheid ook nadelen heeft.

De kleinen worden voortdurend achtervolgd door de groteren maar dat is niet zo'n probleem. Je moet blijven zoeken en creatief blijven. Ik had fijn gips. Dat ging aanvankelijk goed maar het breidde zich uit. Toen iedereen fijn gips had, ging ik over op grof gips. Vervolgens nam iedereen grof gips. Tegenwoordig zetten boeren in de Haarlemmermeer een paar bunder vol, ze sturen er een bus Turken in en dat is dan dat. Dan moet je op tijd kunnen stoppen.


Deze bloemkweker besluit met te zeggen dat je op tijd moet kunnen stoppen maar de eerder aangehaalde voorlichter uit Barendrecht slaakt daarover een verzuchting.

Men is hier snel geneigd om een nieuwe teelt aan te pakken en om ermee te stoppen als het dan wat wordt. Ik heb het altijd jammer gevonden dat ze hier die ontwikkeling niet hebben opgepakt. Ze hadden heel veel kennis over teelten maar dan laten ze het Westland de zaken in het groot aanpakken, terwijl ze dat net zo goed zelf hadden kunnen doen.


Dit is precies wat de 'echte tuinders' niet willen: de zaak in het groot aanpak­ken. Degenen die rond Barendrecht begonnen met de teelt van cherry-tomaten zijn inmiddels overgestapt op nieuwe gewassen zoals krulandijvie, lollo rosso en paksoi.

Een tuinder met meerdere teelten benadrukt dat zijn manier van werken niet ouderwets is.

Ik zou niet zeggen dat ik niet bij de tijd ben. Als er nieuwe gewassen zijn doe ik daar meestal wel aan mee. Ze zeggen dat je moet specialiseren maar het leukste vind ik nou juist die verschillende teelten. Als je één gewas teelt, word je net een fabriek.


Voor deze spreker is "meedoen met nieuwe teelten" modern, terwijl de moderniteit door andere, meer gespecialiseerde tuinders uiteraard heel anders wordt geformuleerd. Als voorbeeld geven we een uitspraak van een topper die geen hoge dunk heeft van de aanpak die we hiervoor beschreven.

Er zijn anderen die steeds aan het ondereind zitten, knoeiers eigenlijk die net hun brood verdienen en meer niet. Die zijn tuinder omdat hun vader het ook was maar niet omdat ze het in de vingers hebben. Zij switchen gemakkelijk van teelt naar teelt, omdat het ze steeds niet lukt om bij de top te komen. Als je steeds onderaan hangt, dan kies je maar weer eens een andere teelt.


In het bovenstaande vinden we twee volledig uiteenlopende interpretaties van dezelfde zaken. Daarbij is het opvallend dat de interpretatie van de toppers gesteund wordt door onderzoek, voorlichting en door het landbouw-bestuurs­apparaat.
Bovengeciteerde topper ziet de tuinders met wisselende teelten als knoeiers maar omgekeerd ziet een echte tuinder specialisatie als een goedkope, te simpele oplossing:

De voorlichting heeft steeds gezegd dat je moet specialiseren maar ze komen er op terug; ze vinden dat we het toch wel goed hebben gedaan. Wij hebben ook gespecialiseerd maar niet op de goedkoopste manier. We zijn gemengd gebleven en hebben nu nog ongeveer acht bloemen. Vroeger was dat veel meer.


"We hebben ook gespecialiseerd maar niet op de goedkoopste manier": dit is een kenmerkende redenering van een tuinder met gemengd bedrijf die speciali­seren eigenlijk een te simpele manier van werken vindt, waarmee een goede tuinder zich niet te veel moet inlaten.

Een ander argument dat wordt genoemd tegen specialiseren is de afwisseling. "Chrysanten vindt ik leuk als ze komen maar ik ben ook weer blij als ze weg zijn". Meer teelten geven afwisseling zodat je niet steeds hetzelfde hoeft te doen.

We zouden kunnen specialiseren maar het hele jaar tomaten lijkt me niet prettig. Dit is afwisselender. We moeten misschien kiezen voor een hoofdteelt, van overheidswege sturen ze ons die kant op door het methylverbod. Maar jaarrond tomaten lijkt me eentoniger dan wat ik nu doe.


Aldus een tomatenteler die in de winter nog wat andere groenten teelt.
Soms hebben tuinders de neiging om hun "nevenactiviteiten" te bagatellise­ren, alsof ze er eigenlijk niet toe doen. Dat lijkt soms een excuus, alsof men duidelijk wil maken dat men wel weet dat je moet specialiseren en alleen voor de lol nog wat andere dingen doet.
"De pepers die ik heb zijn niet meer dan een hobby", zegt bijvoorbeeld een paprikateler. Toch zijn deze hobby's van belang, ten eerste voor de afwisse­ling, ten tweede voor het op peil houden van kennis van andere teelten, waarover we al schreven. Men behoudt een aantal 'vrijheidsgraden' ten opzichte van de markt.

De Veronica's heb ik vooral voor de afwisseling om het hoofd aan de gang te houden. Mijn inkomen haal ik uit de hoofdteelt maar dat is toch altijd een beetje hetzelfde. De aardigheid is om met die Veronica wat extra inkomen te halen. Zo heb ik ook nog wat buxusstruiken staan in de tuin en in andere verloren hoekjes. Dat is meteen ook een goeie manier om de grond schoon te houden.


Op één aspect willen we tenslotte nog wijzen, de relatie tussen specialisatie en arbeid. Over het algemeen is men het erover eens dat een gemengd bedrijf meer arbeid vraagt.

Specialiseren heeft als voordeel dat automatisering sneller voordelig wordt. Een boslijn is niet geschikt voor een aantal van onze teelten en die kopen we dus maar niet. Wij bossen dus met de hand. Over het algemeen kan je zeggen dat gemengde teelten arbeidsintensiever zijn. We werken hier met vier mensen op zesduizend meter, terwijl bedrijven met jaarrond-chrysanten vaak groter zijn en minder mensen hebben.


Een kleinere tuinder die zijn bedrijf begon met veel verschillende bloemen­benadrukt hoe hard hij moest werken.

Vooral in het begin moest ik werken als een paard en moest ik soms wel tot twaalf uur doorgaan. Overal vloog ik in als ik weer eens een ideetje hoorde. Veel andere kleine kwekers werken nog steeds op die manier.


Een groenteteler met een gemengd bedrijf beseft dat hij meer arbeid in zijn bedrijf moet stoppen maar hij ziet het niet als een probleem.

Voor wie het leuk vindt, zit er wel perspectief in. Als je van wisselende teelten houdt is het goed. Je moet iets harder werken dan een ander, je moet meer sjouwen. Op moderne bedrijven heb je een karretje waarmee je tussen de paprika rijdt; wij moeten meer kisten optillen. Kortom meer handarbeid. Maar moeilijk vind ik die combinatie van teelten niet. Je hebt misschien iets meer aandacht voor het gewas nodig.


Specialiseren geeft dus de mogelijkheid meer mechanisatie in te voeren, om arbeid te vervangen door machines. We zien hier dat ook in dit opzicht het integreren in de markt samenhangt met inspelen op de technologie-ontwikke­ling. In hoofdstuk 2 gaven we al aan dat beiden sterk met elkaar samenhan­gen in de wereld van de glastuinbouw.

4.5. Een eigen afzet.
Het aantal vrijheidsgraden ten opzichte van afzetmarkten kan tenslotte nog worden vergroot door te streven naar een bepaalde kwaliteitsproduktie, door te zoeken naar nieuwe mogelijkheden en door het ontwikkelen van een bepaalde naam. Tuinders kunnen een eigen klantenkring ontwikkelen door produktie te leveren van een bijzondere kwaliteit. Zo wordt men minder afhankelijk van de grilligheid van de markt. Dat is mogelijk in de potplanten­sector, in de bloementeelt en in de teelt van bepaalde groenten, met name de kleinere gewassen. De kopers weten van wie een produkt komt en bepalen mede op grond daarvan hun prijs. Uiteraard is zoiets niet mogelijk voor produkten die in grote partijen geveild worden en uiteraard is er een groep tuinders die bewust dergelijke 'grote' produkten vermijdt.
Tevreden stelt een potplantenkweker vast dat uit zijn kopersboekje (het overzicht dat de tuinder van de veiling krijgt, met de gegevens over wie zijn produkten gekocht heeft, in welke hoeveelheden en voor welke prijs; red.), blijkt dat hij vaste klanten heeft. "Daarmee zit je goed; je kan er dan vanuit gaan dat je een betere gemiddelde prijs haalt dan anderen".

De druiven worden op de veiling op naam verkocht en sommige klanten bestel­len hun druiven telefonisch bij mij. Ze hoeven het niet te zien want ze weten zo wel dat het goed is. Je moet natuurlijk wel op de kwaliteit letten. Als druiven onder een luchtraam beschadigd zijn of niet goed op kleur zijn gekomen, brengen we ze naar de veiling zonder het papier van de firma. Mét dat papier garanderen we echt kwaliteit.


Door kwaliteit te produceren stelt spreker zijn positie veilig maar ook door zelf te handelen. Ook dat is een activiteit die de volgende spreker als 'hobby' betitelt maar die als belangrijke functie heeft de afhankelijkheid van grillige marktomstandigheden te beperken.

Bij anderen komt in oktober een koopman, ze stellen een prijs vast en weg zijn de druiven. Wij hebben een koelcel dus bij ons gaan de druiven de koelcel in en dan ga ik zelf ook zo'n beetje handelen. De middenprijs ligt bij ons daarom hoger dan bij anderen. Iedere dag breng ik drie soorten druiven naar de veiling; als op een bepaald moment de blauwe druiven een goeie prijs halen, dan zet ik de volgende dag wat meer bakjes neer. Ik ben soms de enige aanbieder en ik weet waar mijn druiven naar toe gaan, soms wel naar Saudi-Arabië. Ik vind het leuk om dat te weten; het is een hobby zeg maar.


Soms is de eigen bemoeienis met de afzet zelfs harde noodzaak en het resultaat van negatieve ervaringen. Op markten waar de veiling niet aktief is, zoals de markt voor biologische tuinbouwprodukten, leert de concrete ervaring het risico van te grote, eenzijdige afhankelijkheid kennen.

In een bepaalde periode leverde ik aan één zaak. Daar ging iets mis en van de een op de andere dag stopte die ermee. Je kan je wel voorstellen dat dat een ramp is. Ik had een lijst met adressen en ben toen gaan bellen. Zo heb ik nu een lijst van meerdere contacten en ik kijk nu wel uit om teveel afhankelijk te worden van één afnemer. Het was voordeliger maar ik had geen enkele greep op die organisatie en daardoor was ik kwetsbaar. Nadeel is dat ik nu een derde van mijn tijd bezig ben met het organiseren van de afzet.


De veiling in de glastuinbouw biedt een bescherming tegen risico's van marktschommelingen en die bescherming maakt het tuinders mogelijk om de afhnkelijkheid van de markt groter te laten worden dan in vrije-marktomstan­digheden verantwoord zou zijn. Daar waar die bescherming ontbreekt, bij de handel in biologische tuinbouwprodukten, ondervinden tuinders onmiddellijk de 'ouderwetse' gevaren van te grote marktafhankelijkheid en de 'ouderwetse' noodzaak om de risico's te spreiden. In bovenstaand citaat lezen we in een notedop waarom en hoe tuinders hun onafhankelijkheid van de markt willen handhaven. De redenering is bij uitstek van toepassing in de biologische tuinbouw maar ook de echte tuinders streven nog steeds een dergelijke autonomie na, zoals we eerder al aangaven.

Tenslotte zijn er nog tuinders die op contract telen, bijvoorbeeld tuinders die op contract stekken plukken. Zij doen het tegendeel van de tuinders die een eigen positie proberen te veroveren op de markt, die wij hiervoor bespraken.
Contracttelers nemen een bijzondere positie in omdat zij enerzijds hun marktaf­hankelijkheid beperken door een teelt te kiezen die weinig investeringen vergt maar anderzijds zich bij de afzet via een contract binden aan één afnemer. In feite verruilen zij de ene afhankelijkheid voor de andere. In het schema dat wij in hoofdstuk 2 presenteerden zouden deze tuinders ergens onderaan komen te staan: zij passen niet de modernste technologie toe, behouden een deel van hun autonomie ten opzichte van markten maar raken een ander deel daarvan kwijt.

Vroeger had ik van alles wat, tomaten, sla, bloemen. Maar in de tomaten stonden ons veel investeringen te wachten en daar voelde ik niet veel voor. Het kwam daarom goed uit dat ik de keuze kreeg om stekken te leveren, want ik zocht bewust naar een wat rustiger teelt. Stekplukken is niet moeilijk. Tegen de tijd dat het plukken begint ga ik naar een uitzendbureau en dan is een aanneem­ploeg hier tien weken achter elkaar bezig.


Dat het werk saai is en niet erg in aanzien staat, bevestigt een andere stek­plukker.

Omdat ik het gewend was werd mij op een gegeven moment gevraagd of ik op contract wilde plukken. Mijn eerste reactie was nee, want ik zou mijn zelfstan­digheid verliezen en het avontuurlijke van het werk zou verdwijnen. Na lang aandringen heb ik het toch maar gedaan. Stekplukken is niet het mooiste werk. Veel mensen willen het niet omdat je de hele dag moet krom staan. Eigenlijk is het rotwerk maar het voordeel is dat je zekerheid hebt. Met vijf verschillende gewassen heb je veel meer zaken waarmee je rekening moet houden. Het is nu veel rustiger en ik kan op vakantie als alle stekken zijn afgeleverd.


Telen op contract maakt de afhankelijkheid van anderen groter maar geeft een grotere financiële zekerheid; het is een mogelijkheid voor degenen die rustig aan willen doen. Van een aparte bedrijfsstijl kunnen we hier echter niet spreken omdat telen op contract een uitzondering is in de glastuinbouw.

Samenvatting.
Tot zover de complexe relatie tussen glastuinbouwberijven en de markt. We hebben gezien dat tuinders kunnen kiezen tussen een verregaande integratie van het bedrijf in markten enerzijds of het behoud van een relatieve autonomie anderzijds. Tuinders kunnen meer of minder vrijheidsgraden creëren in de betrekkingen tussen het eigen bedrijf en de diverse markten. De mogelijke posities hebben we bezien voor de belangrijkste deelmarkten, de arbeidsmarkt, de kapitaalmarkt en de afzetmarkten.
De toppers betrekken hun arbeid via de arbeidsmarkt. Zij zijn over het alge­meen iets groter dan het gemiddelde en hebben meer personeel in dienst. Bij de toppers zijn het de arbeidsdeling en specialisatie op deeltaken die tot betere resultaten moeten leiden. De echte tuinder wil het werk zoveel mogelijk zelf doen of werken met vast personeel. Arbeidspieken vangt hij bij voorkeur op met familie-arbeid. Doordat hij zelf betrokken is bij alle activiteiten op het bedrijf, kan hij gemakkelijk overzicht houden over het bedrijf.
Bepaalde tuinders zijn terughoudend bij het aangaan van leningen. Zij geven er de voorkeur aan te investeren als ze flink verdiend hebben. Andere tuinders vinden dat je bij het maken van een investeringsplan niet te kleine stappen moet nemen. De toppers tonen duidelijk minder aarzelingen wat dit betreft.
Ook specialisatie definiëren wij als een vorm van marktafhankelijkheid. Een gespecialiseerd bedrijf is onderdeel van een groter geheel en afhankelijk van grilligheden van de markt, waarop een individuele tuinder minder greep heeft. Het zijn met name de toppers die marktgericht werken. De echte tuinders behouden daarentegen hun flexibiliteit door de kennis van meerdere teelten op peil te houden. Echte tuinders telen de 'kleinere' gewassen, experimenteren met nieuwe teelten of leveren een kwaliteitsprodukt in met name de arbeidsin­tensieve teelten. Op die manier proberen zij een eigen afzetmarkt te vinden en minder afhankelijk te worden van prijsfluctuaties op de markt.