Toppers en tuinders

door Ir J.H.Spaan en Dr ir J.D.van der Ploeg




3. GLASTUINBOUWBEDRIJVEN EN HET TECHNOLOGIE-AANBOD



Technologie-ontwikkeling is een cruciaal gegeven in de glastuinbouw. Tuin­ders spelen individueel of in groepsverband een essentiële rol in dit proces: ze ontwikkelen vernieuwingen en passen ze toe. Meer in het algemeen vormen ze een koopkrachtige groep die direct en indirect de technologie-ontwikkeling voortstuwt. Voor alle tuinders geldt: "Niets doen betekent achteruitgang". Vernieuwing is een alom gedeeld parool.
Dit betekent echter niet dat elke tuinder zich op dezelfde manier opstelt tegenover het proces van technologische vooruitgang. Er kan een onderscheid gemaakt worden tussen 'voorlopers' en tuinders 'die liever eerst de kat uit de boom kijken'. Verderop willen we duidelijk maken dat een dergelijke onder­scheid misleidend kan zijn maar er zit toch ook een kern van waarheid in. Het is een indeling die vooral door de 'toppers' gebezigd wordt. Niemand zal zichzelf graag als een 'tobber' omschrijven en wie liever 'de kat uit de boom kijkt', zal eerder spreken over 'degenen die doorjagen' tegenover 'degenen die hun verstand bewaren'.

De standpunten die tuinders innemen omtrent de technologie-ontwikkeling, komen niet uit de lucht vallen. Zij zijn gebaseerd op de ervaringen in het eigen bedrijf en op de interpretatie van wat men om zich heen ziet gebeuren. Uit de verschillende standpunten vloeien verschillende manieren van bedrijfsvoering voort.
In de sfeer van beleid en wetenschap overheerst de mening dat degenen die snel en zo volledig mogelijk het technologie-aanbod volgen, de betere onderne­mers zijn. In dit onderzoek brengen we hierop de nodige nuanceringen aan.
Het 'bijblijven', ofwel het volgen van de technologie-ontwikkeling, is voor tuinders een complex proces. Nieuwe technologieën presenteren zich in toenemende mate in de vorm van totaal-ontwerpen die het bedrijf als geheel betreffen. Het gaat om technologische systemen die bij partiële toepassing minder, bij algehele toepassing méér rationeel zijn. Toepassing van nieuwe technologieën vraagt vaak om een algehele reorganisatie van de kas als produktieplaats. Deze technologische modellen (bijvoorbeeld nieuwe kasont­werpen) zijn daardoor sterk normatief: een bepaalde kas leent zich voor bepaalde teelten en vereist tevens bepaalde extra mechanisering. Dit norma­tieve wordt soms opgelegd door het kastype maar soms ook door de keuze voor een bepaalde teelt: een bepaald gewas vereist een bepaald soort kas en een bepaald soort mechanisering.
Sommige tuinders volgen deze technologie-ontwikkeling maar sommigen hebben een ándere houding: niet zozeer het nieuwe technologische ontwerp maar het eigen-bedrijf-zoals-het-is, is uitgangspunt bij belangrijke strategische keuzen van de tuinder. Uitgaande van het eigen bedrijf selecteren deze tuinders de innovaties die (met eventuele aanpassingen) het beste in het eigen bedrijf passen.

3.1. Stapje voor stapje.
Eén van de praktische vragen op dit terrein is de vraag hoeveel men moet investeren en daarmee samenhangend of alles ineens vernieuwd moet worden, of dat het beter is om in fases te werken. We kunnen niet objectief vaststellen wat het beste is maar verschillen in opvatting zijn onmiskenbaar aanwezig.
We beginnen de schets met de tuinders die een zekere distantie ten aanzien van de technologische ontwikkeling bewaren, met andere woorden de tuinders die 'weinig' investeren. Het zijn de 'echte tuinders' die zich op die manier opstellen. Een van hen zegt het als volgt:

Helemaal niet investeren is fout natuurlijk maar ik kijk liever de kat uit de boom; je kan je ook doodinvesteren. Ik geloof niet dat degenen die hier in de buurt alle nieuwste snufjes nalopen, er veel wijzer van worden. Ik heb het voordeel dat ik geen duur bedrijf heb. Ik heb weinig geïnvesteerd en geen nieuwbouw neerge­zet. Ik heb wel wát gedaan natuurlijk: een nieuwe frees, een hogedruk pomp en kachels. Een computer heb ik niet, alleen een eenvoudige centra-regeling.


Wat 'weinig' investeren betekent, kan voor buitenstaanders onduidelijk zijn. In de ogen van de betreffende tuinders is het echter een nauwkeurig begrip.

Belangrijk is dat je je bedrijf niet laat verouderen. Je moet iedere keer wat veranderen. De ene keer neem ik een nieuw verdeelstuk, dan neem ik nieuw substraat en de volgende keer ga ik mijn waterbassin anders leggen.


Hij weet precies welke investering hij wél en welke hij niet gedaan heeft. Veel of weinig investeren is een 'relationeel begrip' zou men in de wetenschappe­lijke analyse zeggen. De inhoud van het 'weinig' investeren wordt gepreci­seerd door het af te zetten tegen 'veel investeren'.
Een ander zegt stap voor stap uit te breiden en vertelt dat hij ongeveer elke vijf jaar een volgende stap doet. Typerend is dat deze tuinders in hun bedrijfs­voering afstand bewaren ten opzichte van de technologie-ontwikkeling maar zich niet als 'ouderwets' beschouwen. Het gaat niet om tuinders die níet investeren. Eerstgeciteerde tuinder benadrukt dat hij het belangrijk vindt "de boel niet te laten versloffen" en een ander zegt: "Het bedrijf is niet ouderwets, het is gewoon zo gegroeid". Hij scheidt zich af van degenen die helemaal niet investeren.

Er zijn er die wél achterop raken. Neem nou mijn buurman. Als hij eens wat geld verdiend heeft, koopt hij een bankstel. Hij investeert niks en verdient alleen zijn brood. Geleidelijk eet hij zijn bedrijf op en als door storm een keer de kast in elkaar waait is het met hem afgelopen.


De 'echte tuinders' zijn terughoudend ten opzichte van het technologie-aanbod maar zijn niet gestopt met investeren. Er zijn tuinders waarvan iedereen weet dat zij binnen tien jaar zullen stoppen met hun bedrijf maar wij willen erop wijzen dat dit niet de 'echte tuinders' zijn. Alle door ons geïnterviewde tuinders lieten blijken ook op de langere termijn perspectieven te zien voor het eigen bedrijf. Zélfs de buurman in het citaat hierboven is wellicht minder marginaal dan men in eerste instantie zou denken, zoals kan blijken uit wat onze spreker toevoegt: "Hij en zijn vrouw maken enorm veel uren, maar hebben het overigens dik naar hun zin".
De tuinders die het bedrijf voorzichtig opbouwen, kunnen wij niet als margi­naal of ouderwets te beschouwen en ze beschouwen zichzelf niet zo. Het zijn niet de 'traditionele' boeren waarover men in de jaren vijftig volop sprak. Het gaat niet om tuinders die zich afsluiten van de vernieuwingen of om mensen die varen op het kompas van het oude en vertrouwde, ofwel op het kompas van het verleden. In de glastuinbouw-anno-nu betreft het mensen die de technologische ontwikkelingen goed kennen en met name de gevaren van een al te snelle ontwikkeling onder ogen zien. Op grond daarvan komen ze tot een weloverwogen keuze.
Het zijn de tuinders die uitgaan van het bestaande bedrijf en niet van het ideaalbedrijf zoals dat door de technologische ontwikkelingen wordt ontwor­pen.

Als ik helemaal opnieuw moest beginnen zou ik het misschien anders opzetten, moderner maar ik ben nou eenmaal op een bestaand bedrijf begonnen.


Uitgaan van het bestaande brengt met zich mee dat men niet op alle fronten het nieuwste toepast: daartoe zou het bedrijf immers 'omgegooid' moeten worden en precies dat wijzen deze tuinders af. Een argument voor terughou­dendheid bij invoering van vernieuwingen is, dat moderne bedrijven hogere kosten hebben en per saldo niet beter hoeven uit te komen. Een echte tuinder drukt dat als volgt uit: "De modernste bedrijven zijn daarom voor mij geen maatstaf". Een ander argument is dat men zich niet in de schulden wil steken. Hierop zullen we in hoofdstuk 4 nog terugkomen.
Het niet volgen van de modernste ontwikkelingen is soms door de nood gedwongen maar in veel gevallen is er ook sprake van een weloverwogen stap-voor-stap-strategie. Een spreker geeft hiervan een illustratie:

Mijn bedrijf is natuurlijk niet ideaal. Je bent altijd aan het opbouwen en het gaat erom om investeringen te doen in de goeie volgorde. De kas waar we nu in staan, is de oudste en die is de volgende keer aan de beurt. Dat moet nog een tijdje wachten want ik heb pas 1800 meter sloot gedempt en dat heeft heel wat geld gekost zodat ik nu weer een jaar kalm aan wil doen.


Terughoudendheid ten opzichte van het technologie-aanbod komt tot uiting bij het plegen van nieuwbouw maar ook bij het doen van andere, kleinere investeringen. Technologische vernieuwingen worden slechts ingevoerd wanneer het écht uitkomt. Bedrijven met meerdere teelten kunnen zich eenvoudig niet teveel mechanisering, gericht op één teelt, veroorloven.

De sorteermachine heb ik tweedehands; hij is 25 jaar oud. Een nieuwe kleuren­sorteerder op dit bedrijf met maar drie, vier maanden tomaten is gewoon niet rendabel te maken. Ik heb nou eenmaal veel korte teelten.


Soms lenen teelten zich niet voor mechanisering, omdat het gewas te grillig is.

Hortensia's groeien niet gelijk en je kan ze dus niet automatisch wijder zetten. Ze zijn ook niet allemaal gelijk klaar voor de veiling en het duurt wel veertien dagen voordat we een kas leeg hebben. Machinaal zou je dat niet voor elkaar kunnen krijgen.


In bovenstaande citaat zien we dat sommige teelten (Hortensia in dit geval) zich niet lenen voor mechanisering. Men zou kunnen denken dat het toeval is dat een hortensiakweker niet sterk gemechaniseerd heeft, simpelweg het gevolg van het feit dat betreffende tuinder nou eenmaal Hortensia's kweekt. Dat is niet het geval; bepaalde tuinders zoeken bewust dïe teelten die niet gemakkelijk gestandaardiseerd kunnen worden. Soms worden zij door 'de markt' achterhaald. Een van oorsprong kleine teelt wordt dan grootschalig overgenomen door andere bedrijven en de oorspronkelijke telers moeten op zoek naar een ander gewas. Niet de teelt en de nieuwste technologische ontwikkelingen zijn voor hun bepalend maar de wens om het bedrijf op een bepaalde manier, naar eigen inzicht te organiseren.

Toen wij ermee begonnen was het eigenlijk simpel: je maakte een bos van ongeveer vijf takken en er gingen twintig bosjes in een emmer. Die raakte je altijd wel kwijt. De teelt breidde zich steeds verder uit en op het laatst zetten de boeren in de Haarlemmermeer hele stukken tegelijk vol met gips en dan moet je op tijd kunnen stoppen. De eisen zijn nu ook hoger geworden: je moet vijf takken van gelijke lengte hebben, er moet een hoes omheen en ze moeten zijn voorbehandeld want er mag geen mineervliegje meer op zitten. Met al die eisen wordt het weer heel moeilijk en daarom zijn we er ermee gestopt.


Soms neemt men geen nieuwe machines of apparatuur omdat de oude nog niet versleten zijn. De norm voor wel of niet vervangen is dan meer de techni­sche levensduur dan de economische levensduur.

Ik heb kachels uit 1976, die nu eigenlijk pas goed zijn ingedraaid. Buisrailªverwarming is perfect maar mijn kachels doen het ook nog goed, dus die houd ik maar.


Veel zaken hangen met elkaar samen. Hiervoor zagen we dat het aanhouden van meerdere teelten naast elkaar invloed had op de mechanisering van het bedrijf, het kan ook zo zijn dat het niet toepassen van de ene technische vernieuwing toepassing van andere vernieuwingen minder zinvol maakt. En het omgekeerde is dan natuurlijk ook het geval.

Toen we hier begonnen stookten we helemaal niet. Daarom hebben we nu nog steeds geen computer. Want toen we niet stookten was het onzin om tiendui­zend gulden te betalen voor een computer. Daarna hebben we een klimaatregeling genomen die per afdeling apart geregeld wordt en alleen de temperatuur meet.


Geen verwarming, dus geen computer en deze 'echte tuinder' vult aan dat hij best zonder computer kan.

Een computer moet je toch ook een paar keer per dag bijstellen. De omstan­digheden van het weer en de situatie van het gewas kunnen zó verschillen, dat je telkens moet ingrijpen.


Een andere echte tuinder is ook nogal stellig als hij uitlegt waarom hij geen klimaatcomputer nodig heeft. Hij vertrouwt meer op eigen inzicht dan op de metingen van de computer.

Wij hebben geen computer. Als ik in de studieclub die discussies hoor, kan ik het niet allemaal bij houden: "Ik heb een gemiddelde temperatuur van 16,4 en die heeft 16 komma zoveel en laat jij je temperatuur ook met 0,2 graden oplopen per kwartier?". Ik zeg dan: "Jongens, 's nachts is de temperatuur 16 graden, overdag doe ik de luchtramen open bij 22 graden en 's avonds doe ik ze dicht". Simpeler kan het niet. Als ik zie dat 's ochtends de zon schijnt, loop ik om acht uur, half negen naar het ketelhuis en ik zet de pomp af en de ketel uit. Als ik het warm krijg begin ik van de wind af te luchten. Zo heb ik het altijd gedaan. Ik hoef geen verschil tussen een voornachttemperatuur en een nanachttempera­tuur. De tuin aan de overkant van de weg is nog simpeler. Daar hebben we een centra-regeling. De ramen gaan open boven de 24 graden en dicht onder de 24 graden en 's nachts is de temperatuur 16 graden.


Zelf het klimaat regelen kan volgens deze tuinder eenvoudig zijn, het scheelt bovendien in investeringskosten. Opvallend genoeg en wellicht typerend zoals we later nog zullen zien, noemt deze tuinder energiegebruik als een van de argumenten waarom hij zijn twijfels heeft bij te sterke mechanisering.

Een computer hoeft niet altijd energiebesparend te zijn. Bij wisselvallig weer zeker niet. Komt er een wolk, dan gaan de luchtramen dicht en de ketel aan. Een kwartier later komt de zon door en dan zit je met warme pijpen. Dat is toch geen energiebesparing? Ik zie het bij mijn buurman: Luchtramen open, scherm dicht, dan weer open, ramen dicht en even later zie je de ketel weer brullen.


Een tuinder vertelt dat hij weinig zin had om het oude bedrijf van zijn vader voort te zetten, toen hij van de tuinbouwschool kwam. Hij ging werken bij een moderner bedrijf om ervaring op te doen.

Ik ontdekte ik dat er overal wát is. Aan de buitenkant lijkt het vaak mooier dan in werkelijkheid en druiven zijn ook een mooie teelt. Oude kassen zijn nog steeds ideaal voor de druiventeelt. Ik ken iemand die druiven teelt in een moderne opstand. Het is een moderne kas maar de draden waarlangs de bomen groeien, zijn gespannen in de vorm van die oude druivenkassen.


Het zijn de tuinders met de wat oudere bedrijven die bij uitstek de bezwaren tegen vernieuwingen verwoorden. Het is logisch dat zij hun keuzen verdedigen. Zo betwijfelt een van onze gesprekspartners of het waar is dat de hoeveelheid licht doorslaggevend is voor een hoge produktie.

Het geeft minder licht maar bij paprika's is dat niet zo erg. In de zomer hebben we hier altijd minder last van brandgaten en van neusrot. Ze zeggen dat één procent meer licht één procent meer produktie geeft maar ik geloof dat ze ook twee procent meer uitval hebben. Als je niet op de kwaliteit let, haal je die hogere produktie wel. Maar wij brengen in totaal maar drie, vier kisten binnen­land naar de veiling. Als er veel zon is, komen er meer brandplekjes en dan is het verschil nog groter.


Een ander vindt hoge kassen niet zo nodig.

Radijs zetten ze tegenwoordig ook al in hoge kassen. Ze zeggen dat dat nodig is voor een goede luchtcirculatie maar ik zou zeggen dat het alleen maar extra stookkosten geeft. Ik heb bij mijn radijzen geen problemen met de luchtcircula­tie.


Wat er van waar is, of meer licht meer uitval geeft en of lage kassen ook een goede luchtcirculatie kunnen hebben, ligt buiten doelstellingen van dit onder­zoek. Als argument vormen deze uitspraken een deel van de werkelijkheid van een groep tuinders en in ieder geval geven de echte tuinders aan, dat zij, terwijl zij niet de logica van de technologische modernisering volgen, toch een resultaat hebben dat voor hun bedrijf bevredigend is. Bij de 'technologische top' horen is voor hun niet een centrale doelstelling.

3.2. Vierkant en licht.
Nieuwe technologische ontwerpen dragen een impliciete 'code' in zich. De optimale kas wordt nu vierkant gedacht en dat impliceert de beschikbaarheid van kavels die aan een dergelijk ontwerp voldoen. In bepaalde streken wordt daaraan niet of nauwelijks voldaan, bijvoorbeeld in het gebied rond Roelofa­rendsveen waar de kavels van oudsher lang en smal zijn. Eens was dat een voordeel: zo was de afstand die men met de gieter moest afleggen van de slootkant naar de tuin minimaal. De grote hoeveelheid water was bovendien een bescherming tegen nachtvorst. De moderne technologie stelt echter andere eisen; de voordelen van vroeger zijn nadelen geworden. De Veenstreek loopt daarmee het risico 'achterop' te raken.
Voor degenen die zich tot de 'toppers' rekenen, is zoiets geen bezwaar. De kas-als-produktieplaats is voor hen een mobiel gegeven:

Het vorige bedrijf hebben we verkocht omdat de kavelbreedte niet optimaal was terwijl het nog te mooi was om plat te gooien. Het is vaak een financiële kwestie. Degenen die ons vorige bedrijf gekocht hebben, hadden het geld niet om nieuw te bouwen. Overigens hebben zij het afgelopen jaar de kas doorverkocht om in Bleiswijk een nieuwe kas van twee hectare te beginnen. Het zijn dus wél goeie ondernemers.


Een niet optimale kavelbreedte, het is een criterium dat direct is afgeleid van de (zich verder ontwikkelende) technische vooruitgang. In het voorafgaande bespraken we de 'echte tuinders', die als het ware blijven binnen het raam­werk van de ecologische en topografische omstandigheden. Voor hen is de kavelbreedte een feit en is de keuze aanpassen of stoppen met het bedrijf. De toppers kennen deze beperkingen niet: als ze de omstandigheden niet kunnen aanpassen, 'verkassen' ze. Dit is ook wat een deskundige adviseert te doen, wanneer hij praat over de perspectieven van de tuinbouw in de Veen­streek.

De kavels zijn er over het algemeen twintig meter breed en daarop kun je geen modern bedrijf beginnen. Het is een rotwerk om bredere kavels te maken want sloten dempen is niet eenvoudig. Als je iets nieuws wilt beginnen kan je beter naar elders vertrekken. Je kan wel zeggen dat de technologische ontwikkeling hier de structuur heeft achterhaald.


Het snel en integraal overnemen van nieuwe technologische ontwerpen is een veel voorkomende positie: men volgt het technologie-aanbod zo nauwkeurig mogelijk. Voor de toppers is dit technologie-aanbod zelfs in sterke mate normatief. Toch zijn ook zij zich vaak bewust van de risico's en mogelijke tegenspraken die in een dergelijke handelswijze besloten liggen. Wijzen ze een meer afstandelijke houding ten aanzien van het technologie-aanbod af als zijnde te "nonchalant" of te "rustig", hun eigen positie definiëren ze soms als een toch wat "angstig" avontuur.
De toppers zien om te beginnen weinig in de geleidelijkheid die de echte tuinders in de praktijk brengen. Zij zien dezelfde verschijnselen maar trekken andere conclusies:

Het bedrijf van mijn vader was telkens voor een deel gesloopt en vervangen, dan weer een deel en dan weer een deel. Maar op die manier krijg je nooit een bedrijf dat de moderne tuinbouw vraagt.


Zij volgen de nieuwste ontwikkelingen, verhuizen als dat nodig is en doen omvangrijke investeringen. Het is een uitdaging, een verkenning van de eigen en van de technische mogelijkheden, waarbij men beseft dat het riskant en soms een gok is.

Het bedrijf draaide goed, we hadden veel geïnvesteerd en eigenlijk viel er niets meer te verbeteren. We vroegen ons dus af: "Kunnen we nou de komende tien jaar niets meer doen?". We wilden toch meer en daarom hebben we verkocht, mede omdat we er een goeie prijs voor konden krijgen. Zoiets kost je natuurlijk altijd wel geld maar het was de moeite waard. Ik weet eigenlijk niet hoe je zo'n besluit neemt; het is een soort gevoel, je praat wat, je luistert, je vraagt eens bij de handel en dan zeg je: "Okee, we wagen de gok". Maar erg doordacht is het niet.


Een ander kent het risico en maakt duidelijk dat alle investeringen goed op elkaar moeten worden afgestemd.

Het gevaar is niet de investering op zich, het gevaar is de manier waarop geïnvesteerd wordt, als de lengte - breedte verhouding niet goed is of als de kas niet geschikt is.


"De lengte-breedteverhouding moet goed zijn", betekent dat de kas vierkant moet zijn. Je moet geen dure investeringen doen op smalle kavels. Bovendien moet de kas zijn aangepast aan het gewas dat je teelt. Het investeren wordt een beetje een 'gok' en je moet dus accepteren dat je af en toe verkeerd gokt.

Wij hebben eigenlijk stap voor stap ontdekt hoe het niet moet: eerst een kas gebouwd met een te brede overspanning, niet 6,40 meter maar acht meter. De ramen bovenin waren te groot en als ze open gingen, kelderde de luchtvoch­tigheid. Paprika's hebben een hoge luchtvochtigheid nodig, dus de kas was niet geschikt. Het ging wel maar voor de kosten die we gemaakt hadden, was de produktie niet hoog genoeg. We hebben hem verkocht aan een buurman die er nu anjers teelt. Daarvoor blijkt de kas ideaal te zijn.


De kosten van dergelijke omschakelingen zijn natuurlijk hoog, ook al kon deze topper de kas verkopen aan een buurman. Verder ligt het tempo waarin kassen vervangen worden, voor deze tuinders erg hoog. Elke tien jaar nieuw­bouw is geen uitzondering en soms vindt nieuwbouw nog sneller plaats.

Ik kan me nog goed herinneren wat mijn vader zei toen we een hele nieuwe kas hadden neergezet, een jaar voordat hij overleed. "Zo, jij kan er voorlopig wel weer tegen". Maar het pakte anders uit, want de ene kas heeft zeven jaar gestaan en de andere acht jaar. Door betonrot was de boel zo slecht geworden dat hij gesloopt moest worden. We hebben toen alles nieuw gebouwd. Eigenlijk wordt het allemaal steeds angstiger. De nieuwe kas is inmiddels vier jaar oud en de achterste kas hebben we pas vorig jaar vernieuwd. Maar als je over een half jaar een nieuwe kas wil neerzetten, dan zou hij alweer heel anders worden. Elke keer komen er nieuwe modellen, hoger en met meer licht. Het tempo is enorm hoog.


In de opvattingen van de toppers is het voor het succes van het bedrijf doorslaggevend om vernieuwingen consequent door te voeren. Experimenten met kassen met een overspanning van acht meter in plaats van de gebruikelij­ke zes meter veertig leidden niet tot een bevredigend resultaat, zoals we boven al gezien hebben. Een andere mogelijkheid is het gebruik van speciaal gehard glas, waarmee geëxperimenteerd wordt. Ook probeert men de hoeveel­heid licht op andere manieren te vergroten.

Het grootste verschil zit in het licht. Alle andere dingen komen daarna. Je ziet vaak dat het modernste meestal de hoogste produktie haalt. Iemand die voor het eerste jaar in een nieuwe kas teelt, steekt altijd met kop en schouders boven de rest uit. Als het niet zo is dan doet hij het niet goed. Want het scheelt enorm dat de kas niet vuil is en het glas nog door niets is aangetast. Licht is het belangrijk­ste en daarom moet je de kas vaak schoonmaken. In het voorjaar heb ik dat ook gedaan en ik denk dat het helpt. Je wordt pas wakker geschud als je een keer een slecht jaar hebt gehad, zoals ik vorig jaar. Dan denk je: dat zal me niet meer gebeuren! Ik heb dus dit jaar binnen en buiten alles gedaan met middelen die een ander niet durft te gebruiken. Ze tasten het glas aan maar dan schrijf ik hem gewoon wat sneller af.


Bovengenoemde tuinder zegt dat de hoeveelheid licht doorslaggevend is en wil daarvoor alles doen. Hij is paprikateler en het is merkwaardig dat de paprika­teler die wij eerder aan het woord lieten, beweert dat lichthoeveelheid voor paprika's nou juist niet doorslaggevend is. Wie er gelijk heeft kunnen we niet zeggen maar in ieder geval hebben beide redeneringen hun logica. De ene tuinder zal al snel concluderen dat minder licht ook voordelen heeft, dat het risico van stormschade bij grote ramen te groot is, of dat de kosten gewoon te hoog zijn, terwijl de andere blijft zoeken naar manieren om meer licht op te vangen. Vaak op basis van recent onderzoek en adviezen maar ook op basis van eigen proefnemingen.

Uit onderzoek is gebleken dat een lichte kas meer produktie geeft dan een donkere. Ik heb niet de indruk dat het bij mij erg veel uitmaakte maar ik heb het nooit uitgezocht, want ik had verschillende gewassen in de kassen staan. Dit jaar gaan we uitzoeken wat het uitmaakt. We hebben in beide kassen dezelfde planten gezet en gaan nu bij de oogst wegen hoeveel uit de ene kas komt en hoeveel uit de andere. Dan weten we vervolgens hoeveel extra produktie een lichte kas geeft en kan ik uitrekenen of het de moeite waard is om de investerin­gen voor de nieuwbouw te doen.


In de visie van de toppers gaat het erom regelmatig nieuwbouw te plegen, te werken in hoge, lichte kassen en ook anderszins op tijd vernieuwingen te introduceren.

Je moet bijblijven; dat heb ik ook gedaan. Ik heb een CO2-regeling aangeschaft, een klimaatcomputer, een substraatcomputer en nog allerlei andere dingen. Want je ziet toch dat de optimale werkers bovenin de produktie komen te zitten.


Een bloemkweker trekt dezelfde conclusie:

Of je gunstig uitkomt, hangt vooral af van de bedrijfsvoering en van de mechani­satie op het bedrijf, bijvoorbeeld van bosmachines en van spuitrobots.


Niks doen is in hun ogen achteruitgang. Sorteerruimte vernieuwen, kantine bouwen, een vrachtwagen, een nieuwe computer, een waterontsmetter, elk jaar moet er wel iets worden vernieuwd. Ook voor de 'echte tuinders' geldt de noodzaak tot regelmatige vernieuwing maar de omvang van de vernieuwingen is bij hun anders. En de 'toppers' kopen natuurlijk alles nieuw.

Een nieuwe machine is beter. Als iemand met een tweedehands machine het zou uitrekenen, wist hij dat een nieuwe beter is. Maar hij vindt het misschien niet erg om 's avonds door te werken en dat de vrouw hem moet helpen.


We zien hier dat er samenhang is tussen mechanisering en de organisatie van de arbeid. De toppers hebben meer vreemde arbeid in dienst (ze zijn in de regel groter) en meer vreemde arbeid vereist meer mechanisering. De produktie is grootschaliger en meer routinematig. Om toch een prettige werksituatie te krijgen moet een goeie machine de topdrukte opvangen. Men moet hoe dan ook "om vier uur aan de pils zitten".

We hebben het precies uitgerekend. Ik had een machine die twee jaar oud was maar niet economisch om mee te werken. We hadden hem gekocht voor de uitbreiding en we ontdekten dat we soms 's avonds moesten doorwerken. Dus we hebben hem verkocht. Je moet met twee man kunnen sorteren, dat is prettiger voor het personeel. Verder moeten we in ieder geval om vier uur klaar zijn, ook in dagen dat er een topdrukte is. De machine moet dus een voldoende capaciteit hebben. Voor prettig werken moet je toch ook een bepaald geldbedrag kunnen rekenen.


Hoe het ook zij, het valt niet altijd mee om alle ontwikkelingen bij te houden, want er kunnen tegenvallers zijn. Een topper klaagt dan ook dat door de computer het werk eigenlijk niet makkelijker geworden is. "Je kan meer regelen maar je bent nooit tevreden". Een ander klaagt dat het allemaal hard gaat en is een beetje bang voor de toekomst.

Ik ben blij dat in de groenteteelt 's nachts bijverlichten tot nu toe nog niet geholpen heeft. Maar ik houd mijn hart vast als morgen iemand mét lampen 25 procent meer naar de veiling brengt. Want dan moet ik ook aan die ellende beginnen.


Een topper merkt op dat er een verschil is met vroeger en dat de verande­ringen niet door iedereen met evenveel enthousiasme worden begroet.

De werkdagen waren vroeger langer maar in de zomer werd het rustiger. Je kon een keer een gevel gaan verven of iets dergelijks. Van september tot december was er minder te doen. Nu gaat het constant door, tot 1 november zijn we nog aan het oogsten. Een ouder personeelslid die vroeger nog heeft meegemaakt, vraagt dan: "Moet dat nou allemaal zo? Vroeger in de winter zaten we spijkers recht te slaan!". Hij was gewend om te oogsten en het er dan eens goed van te nemen.


3.3. Technologie of vakmanschap.
Het behalen van goede produktieresultaten is voor elke tuinder van levensbe­lang. Die produktieresultaten moeten behaald worden met behulp van bepaal­de produktiemiddelen maar ook met een bepaalde kwantiteit en een bepaalde kwaliteit van de ingezette arbeid. Die laatste samenhang willen we nu in deze paragraaf bespreken. In elk arbeidsproces moeten arbeid en specifieke technologieën gecombineerd worden. In het voorafgaande is al besproken wat hoofdpunten zijn in die uiteenlopende mogelijkheden: in sommige bedrijven worden produktie en produktiviteit in sterke mate gestoeld op de aangewende technologie en wordt verdere produktiviteitsstijging vooral gedacht als functie van een doorgaande technologie-ontwikkeling. Arbeid geldt daarbij vooral als noodzakelijk supplement, als produktiefactor welke nu eenmaal nodig is om de gekozen technologie te 'bedienen'.
Voor de 'echte tuinders' is de produktiviteit vooral het resultaat van de hoeveelheid en de kwaliteit van de ingezette arbeid. Resultaten worden vooral behaald door inzet van méér en vooral ook van betere arbeid. Ervaringskennis speelt in dat opzicht een cruciale rol. In dit geval is arbeid de centrale basis waarop produktie en produktiviteit steunen en is de technologie supplemen­tair, een hulpmiddel om de kwaliteit en de reikwijdte van arbeid te vergroten.

Wat moeten tuinders doen om goede resultaten te behalen en hoe zien verschillende tuinders dit probleem?
In theorie kunnen deze posities tegenover elkaar gezet worden maar in werkelijkheid zijn er ook overlappingen. Dat neemt niet weg dat er een zekere systematiek zit in de uiteenlopende opvattingen en praktijken.
Een toptuinder spreekt van de noodzaak "om er meer techniek in te stoppen", wanneer hij een hogere produktie wil halen. Een voorbeeld daarvan is de aanschaf van een dure rubbermat om op te staan tijdens het werk aan de sorteermachine.

Je merkt niets als je er even op staat maar het scheelt wél als je er uren in de week achter staat. Arbeidsdeskundigen beweren dat het uitmaakt en ik geloof het ook wel. Maar het verschil voel je niet, je moet het geloven.


De verbetering van resultaten moet bereikt worden door introductie van meer en betere technieken, waarin de arbeid kan worden ingepast. Dat met behulp van arbeid produktieve resultaten bereikt worden die voorbij een specifieke technologie gaan, valt enigszins buiten dit gezichtsveld. Het 'volgen van de technologie-ontwikkeling', versus het ontwikkelen van eigen ervaringskennis, krijgt in ditzelfde kader natuurlijk een groot belang. Zo zegt een deskundige:

Goeie tuinders zorgen ervoor dat ze een dag of een halve dag per week beste­den aan het bijhouden van hun kennis. Als je zweet produceren hoger stelt, dan ben je geen ondernemer. Je moet je buurman uitmelken; op die manier pluk je een bos chrysanten meer. Het klassieke beeld van de tuinder als de man die de hele dag tussen de planten zit, bestaat niet meer. De goeien moeten zich nu overal informeren en die moet je nu zoeken bij een systeem als Infotuin.


Infotuin is een computernetwerk waarin een grote hoeveelheid relevante bedrijfsge­gevens dagelijks worden verwerkt en ter beschikking gesteld aan de op het netwerk aangesloten tuinders.

"Je moet vertrouwen op de voorlichting en je steeds op de hoogte blijven stellen van nieuwe ontwikkelingen", zo bevestigt een topper, reagerend op de vraag hoe een tuinder de beste resultaten kan behalen. Anderen zeggen: "Je moet de ontwikkelingen blijven volgen" of "Je moet een soort geleerde zijn"; het zijn uitspraken die er op wijzen dat kennis van buiten het bedrijf moet worden aangevoerd, dat tuinders moeten studeren om resultaten te behalen. Verschillen in produktie worden bepaald door kennis en door zo vroeg mogelijk met de teelt te beginnen.

Het voordeel van vroeg produceren is nu vooral dat je dan waarschijnlijk ook in het totaal veel zal produceren. Sommigen halen dertig kilo van een meter, anderen twaalf kilo. Dat hangt sterk af van het tijdstip waarop je met de teelt begint.


Ook de registratie van gegevens kan van groot belang zijn, met name voor de topbedrijven met een grotere omvang. Op de vraag aan een tuinder hoe hij een hoge produktie weet te behalen, antwoordt deze:

Dat komt omdat we alles noteren. Bij de radijzen houden we bijvoorbeeld bij hoe dicht de rijen zijn geplant, wat het ras was, hoe de weersomstandigheden waren, wat de kastemperatuur was, er wordt een rapport gemaakt van de knolvorming, van het staartje enzovoorts. Van iedere teelt houden we gegevens bij en we hebben in totaal zo'n 150 teelten! Want we hebben zes warenhuizen met zes onderafdelingen en meerdere teelten per onderafdeling. Per teelt bespreken we achteraf wat er gebeurd is, wat we halverwege verwachtten en wat we volgend jaar gaan doen. Wij noteren veel meer dingen dan anderen en daarmee proberen we de extremen voor te zijn. Bepalend voor het succes van een bedrijf is hoeveel informatie je kan trekken en hoe je ermee omgaat.


"We proberen de extremen voor te zijn" wil zeggen dat men probeert de produktie-omstandigheden te standaardiseren op een bepaald gemiddelde en om dat gemiddelde vervolgens omhoog te brengen. Voor de 'echte tuinders' is dit minder relevant. Voor hun zijn produktie-omstandigheden een reeks bijzon­derheden waarmee je rekening moet houden en waaraan je je moet aanpas­sen; bepaalde extremen kunnen ook welkom zijn. Van standaardiseren kan geen sprake zijn. Voor de 'echte tuinders' is fijnregulering ofwel aanpassing aan bijzonderheden meer doorslaggevend dan voor de toppers. De toppers hebben meer de neiging om te vertrouwen op de computer.

Erg moeilijk is klimaatregeling niet. De computer regelt dat en ik kom niet aan de instellingen. Als de instelling goed is moet hij veel variatie in het weer kunnen opvangen. Bij de overgang van de lente op de zomer, of van de zomer op de herfst moet je een keer aanpassen en misschien een keer extra als het weer langdurig te donker of te warm of te koud is.


Toch is het te simpel om te stellen dat voor de toppers het succes volledig afhankelijk is van de techniek. Een typische topper vertelt dat techniek helpt maar dat andere factoren minstens zo belangrijk zijn.

Er is tegenwoordig heel veel techniek maar het gevoel bepaalt toch de teelt. Dat is nog net als vroeger. Als ik de kas in loop en het er niet lekker vind, dan loop ik naar de computer en dan doe ik er wat aan. Een ander zal dat niet zo gauw doen. Gemiddeld een paar keer per dag stuur ik de computer bij. Het is niet dat ik nog aan de teelt moet wennen, want ook toen ik al tien jaar vleestomaten had, was het precies hetzelfde. Het weer varieert en de omstandigheden in de kas ook. Het gaat er om, het gewas zo goed mogelijk door het weer heen te. Ze zeggen wel eens dat ik wat minder zenuwachtig moet zijn maar wij zitten in ieder geval met onze produktie aan de goede kant.


Voor deze topper blijft het "gevoel" een essentieel element in het correct bedienen van de aanwezige technologie. Daarmee gaat hij, zoals in dit citaat wordt aangegeven, verder dan andere toppers die hem te "zenuwachtig" vinden. Overigens zijn natuurlijk alle tuinders het erover eens dat de produk­tieresultaten van het weer afhankelijk zijn en dat de kunst is op de juiste manier op het weer te reageren.

De verschillen ontstaan op dagen als vandaag. We hebben een paar weken mooi weer en veel zon gehad en de planten hebben hard moeten werken. Nou krijg je ineens koud donker weer en hoe moet je reageren? Moet je het gewas activeren met een behoorlijke buistemperatuur, of zeg je: "We doen het een paar dagen rustig aan, want ze hebben veertien dagen hard gewerkt". Je kan dus de buizen hoger stoken maar je kan ook gaan luchten. Wat het beste is hangt er heel erg vanaf. De een heeft de buizen koud gehouden met goed resultaat en de ander heeft het juist niet gedaan, ook met goed resultaat. Het hangt ervan af hoe je gewas erbij stond.


Ook voor toppers is het gevoel voor natuurlijke groeiprocessen van groot belang maar op een andere manier dan voor de echte tuinders. Bij de toppers wordt het verschil tussen 'goed' en 'slecht' toch in de eerste plaats bepaald door techniek en organisatie en pas in de tweede plaats door de mate waarin de techniek goed of slecht wordt bediend.

Vakmanschap.
Welke tuinders de hoogste produktie halen, is omstreden. De standpunten staan soms lijnrecht tegenover elkaar. Een typische topper vindt dat grote bedrijven de hoogste produktie halen, omdat een kleine moet werken en niet goed kan opletten.

De hoogste produktie wordt gehaald door grotere bedrijven. Een grote tuinder kan het werk overlaten aan zijn mensen en zelf zijn aandacht richten op alle dingen om het werk heen. Een kleine is altijd aan het werk en kan niet op alles tegelijk letten. Als hij het druk heeft met oogsten, willen andere dingen nog wel eens mis gaan. Een grotere kan overal heen lopen omdat hij niet steeds aan het werk gebonden is..


De scheiding die deze topper zelf op zijn bedrijf doorvoert tussen uitvoerend werk en het "opletten", projecteert hij dus ook op bedrijven waar van een dergelijke scheiding geen sprake is! Een echte tuinder ziet dat heel anders. Hij is voortdurend op het bedrijf aanwe­zig en vindt dat hij juist wél kan letten op de "dingen om het werk heen". Hij kan béter werken dan een grote: "De baas heeft er gewoon minder overzicht".
Daarvoor is een bepaalde verhouding noodzakelijk tussen de ingezette arbeid en het produktievolume. Een echte tuinder zal verhoudingsgewijs méér arbeid inzetten dan een topper. Het sleutelwoord dat tuinders in deze bezigen is "Alles goed kunnen bijlopen".

Ik ben niet groot maar in de produktie kan ik aardig meekomen. Op mijn bedrijf kan ik alles goed bijlopen. Voor de produktie zegt de verzorging een heleboel. Je moet op tijd wezen met alles, bijvoorbeeld op tijd bestrijden. Vanmiddag moet ik bijvoorbeeld vijf busjes Orius neerzetten; dat moet voorlopig voldoende zijn. Als wij hier een klein koppeltje spint zien, doen we er wat aan. Ik kijk hier geregeld in de kopjes maar de groten hebben daarvoor geen tijd. (Orius is een roofwants, ingezet als een biologische bestrijder; red.).


Een topper bevestigt deze opvatting.

Kleinere bedrijven kunnen een hogere produktie halen dan grote. Een kleine tuinder kent bij wijze van spreken iedere plant en kan adequater reageren als er ziektes zijn. Grote bedrijven moeten goed gemotiveerd personeel hebben en vaak rigoureuzer optreden bij infecties.


De 'echte tuinders' zien het verschil tussen goede en slechte bedrijven anders dan de toppers. Voor hun is de kwantiteit en de kwaliteit van de arbeid meer doorslaggevend, m.a.w. goede resultaten kunnen behaald worden door inzet van meer arbeid of van een betere kwaliteit arbeid. We kunnen ook zeggen dat voor de echte tuinders het vakmanschap van doorslaggevend belang is, terwijl dat voor de toppers in de eerste plaats het ondernemerschap is.

Wat een goeie tuinder is? De een is makkelijker dan de ander. De een neemt het allemaal niet zo nauw en de ander is een pietje precies. Sommigen gaan een keer per week dieven en indraaien anderen doen het eens in de tien dagen. Naarmate de trosdiefjes groter zijn is dat meer verlies voor de plant. Degene die minder vaak dieft, groeit per jaar misschien een tros minder per plant en dat kan zo tien, twintigduizend gulden schelen.


Vaker dieven en indraaien is een kwestie van méér arbeid inzetten om betere resultaten te halen. Betere resultaten kunnen ook behaald worden door gebruik te maken van het eigen vakmanschap, waardoor met name de kwaliteit van de arbeid hoger wordt.

Dat gescharrel van ons, daar kunnen groten toch moeilijk tegen op. Zeker als zij hun stekjes moeten kopen. Als wij op een dag veel geveild hebben, kunnen we besluiten om de rest van de planten wijder te zetten of alvast cyclamen neer te zetten. De groteren kunnen zoiets natuurlijk nooit doen. Wij kunnen beter selecteren: vandaag bijvoorbeeld hadden we flink veel hoge planten staan en besloten we om een paar karren lange planten te vullen. En de volgende keer heb je weer een andere partij.


Het toekennen van een centrale plaats aan de arbeid (hetgeen natuurlijk niet uitsluit dat er moderne technologieën toegepast worden -integendeel, ze worden zo gebruikt dat de mogelijkheden van de arbeid vergroot worden) heeft natuurlijk consequenties voor de organisatie van de produktie als geheel. Die moet zodanig zijn dat de tuinder overzicht behoudt. "Je moet geregeld in de kopjes kunnen kijken".
De desbetreffende tuinders bereiken zulk een ordening door het natuurlijke groeiproces van hun planten en hun kennis daaromtrent centraal te stellen. Vandaar ook dat regelmatig gesproken wordt van 'plantenmannen'. Toppers behoeven niet "altijd tussen de planten te zitten" maar voor de 'echte tuin­ders' is het van groot belang. Voor hem zijn niet alle planten gelijk:

Je moet de trossen tellen en je moet goed naar de plant kijken om te zien hoeveel de plant kan hebben. Een sterke plant kan meer hebben dan een zwakke.


En een ander:

Soms durf ik niet wat anderen doen, bijvoorbeeld als anderen de temperatuur extreem verlagen, of effe radicaal een zooitje ranken eruit halen. Ik ben nogal voorzichtig. Een ander haalt in één keer veel ranken eruit, terwijl ik dat dan liever in drie keer doe. Ik denk dat het voor de plant het best is om iedere keer een beetje weg te halen. Als je groene vingers hebt dan kan je een plant bekijken en zien of hij het naar zijn zin heeft of niet. Je moet zo werken dat het voor de plant het beste is.


Voor de echte tuinders wordt het verschil tussen 'goed' en 'slecht' dus bepaald door inzet van voldoende arbeid en door in die arbeid rekening te houden met de bijzonderheden van de planten, van de grond, van de klimaat­omstandigheden, kortom met de natuurlijke groeiprocessen. In het proces van regulering van de produktie ontstaat ervaringskennis, die in de internationale literatuur ook wel wordt aangeduid met de term art de la localité, letterlijk vertaald de kunst van het plaatselijke. Dit is kennis die bij buitenstaanders vaak de indruk wekt onnauwkeurig en dubbelzinnig te zijn. Voor de tuinders gaat het om kennis en om het gebruik van begrippen die integendeel zeer nauwkeurig zijn: buiten de kas mag een term als "een slierterig gewas" onnauwkeurig lijken, in de kas en bekeken door de ogen van de tuinder is het een begrip waaraan een heel scala van omstandigheden en handelingen gekoppeld is. In overzicht 3 geven we een korte bloemlezing van termen die tuinders in dit verband gebruiken. Het is een reeks van termen en van daarmee verweven ervaringskennis, waarmee de tuinder zijn vakmanschap tot ontwik­keling brengt. Het resultaat van deze fijnregulering hoeft niet onder te doen voor produktieprocessen die met computers worden gestuurd. Soms bereikt men zelfs betere resultaten omdat de 'art de la localité' op onderdelen verder reikt dan computerprogramma's.
De hier geduide art de la localité treft men vooral (doch beslist niet uitsluitend) aan bij de 'echte tuinders', die deze fijnmazige ervaringskennis benutten om de kwaliteit van eigen arbeid te vergroten.


Overzicht 3. Vaktaal van glastuinders.
onder de stooklijn luchten het gewas is langer
een plant die zwaar groeit stoken naar wat de plant laat zien
scherp werken met de EC en met de pH een bonkig type
het scherm laten dichtlopen een waterig gewas
een vol gewas weinig voeding in de kop
een stevig gewas stekelig weer
een ielig, schraal gewas een halve minuut over de kop sproeien
een slierterig gewas zorgen dat de wortels aan het werk gaan
een producerend gewas droog scherp weer
vruchten eraf stoken Snoei prikkelt tot groei
houtachtige komkommers van de wind af luchten
vroeg ruimen vruchten met een stuggere schil
het eerste plantje eruit te pesten ruimer poten
een te lichte plant lucht knijpen is niet bevorderlijk
te welig gewas andijvie laat zich niet dwingen
een hard, houterig gewas een gewas doorstoken
Komkommers met zachte, welige blade­ren zorgen voor voldoende voeding in de mat
een donkere kop geregeld in de kopjes kijken
een jonge vrucht eruit trekken overmoeten als het gewas hard achteruit gaat
de planten in bloei trekken zien of een plant het naar de zin heeft
een rustige teelt radicaal ranken eruit halen
de plagen vóór zijn te veel stekvruchten
de boel schoon houden een gevoelig gewas
durven te dunnen in de winter koud gaan
zien hoeveel de plant kan hebben zware takken
anjers met dikke stelen de groei vegetatief houden
als de vrucht aan het zwellen is de teelt droog kunnen houden
gewas niet aan schokken blootstellen de planten hebben weinig buffer
een beste stengel prei werkt zuiverend
het gewas door het weer heen voeren een lange komkommerteelt
de tomaten hard laten werken een oud, voller gewas
gewas activeren met warme pijpen een belabberd gewas dat niet mee kan doen
meer lucht zetten een krene plant
planten zelf laten zoeken schoon achter eindigen en schoon be­ginnen
vruchten waterig opfokken veel lucht hebben staan
gejaagd laten groeien geen klimaat meer hebben
de buizen kouder houden een gewas dat slecht weer gelijk laat zien
bij een korte dag de knop in laten gaan een jonge plant die staat te douwen
de planten schraal laten groeien windverlaging in de tegenlucht
de planten teveel verwennen schermen geeft een zwakkere plant
het gewas groeit snel vol een sterke grondsoort
de planten pesten moeilijker aan de wortel komen
   
----------------------------------------------------------- ------------------------------------------------------