Toppers en tuinders

door Ir J.H.Spaan en Dr ir J.D.van der Ploeg




2. BEDRIJFSSTIJLEN IN DE GLASTUINBOUW


2.1. Markt en technologie als handelingsruimte.
Dat er verschillen zijn tussen tuinbouwbedrijven is overduidelijk en wordt door tuinders als vanzelfsprekend beschouwd. Wij zien deze verscheidenheid niet als toevalligheid maar als resultaat van een bewuste keuze van tuinders. De belangrijk­ste keuzen die tuinders hebben in doelstelling en organisatie van hun bedrijf, liggen op twee terreinen.

Het eerste terrein is dat van de organi­satie van de produktie binnen het bedrijf, de in het bedrijf toege­paste technolo­gie. Sommigen "volgen", zoals de uitdrukking wil, in sterke mate het technolo­gie-aanbod. De nieuwe technologi­sche modellen zijn voor hen het kompas op grond waarvan zij het eigen bedrijf organiseren. Anderen hanteren het eigen bedrijf en de eigen ervarings­ken­nis meer als richtsnoer. Op grond daarvan maken zij een kriti­sche keuze uit het totale technolo­gie-aanbod: slechts die elementen die passen in de bestaan­de bedrijfsstruc­tuur en die sporen met de eigen visie omtrent de wijze waarop gewerkt moet worden, worden geselecteerd en ingepast.

Het tweede terrein is dat van de verhouding tussen het eigen bedrijf en de markt, zowel de markt voor verschillende produktiemiddelen als de markt voor afzet van de produktie. Glas­tuinbouw­bedrijven kunnen meer of minder geïnte­greerd zijn in markten: tuin­ders kunnen meer of minder vrijheidsgra­den creëren in de betrekkingen tussen het eigen bedrijf en de diverse markten. Is er sprake van een sterke integratie in (en afhankelijk­heid van) markten, dan vormen deze een raster dat een sterk sturende werking op bedrijfs­voering en -ontwikkeling uitoefent. De tuinder is dan genoopt om in sterke mate de logica van de markt te volgen. Zijn er meer vrijheids­graden gecre­erd (is de afhan­ke­lijkheid minder sterk), dan beschikt de tuinder over meer speelruimte. In figuur 1 hebben we de keuzeruimte schematisch weergegeven.

Figuur 1. De keuzeruimte gevormd door markt en technologie.
--------------------------------------------------------------------------------------- ----------------------------------
  |
snelle overname |
technologie-aan­bod |
  |
  |
  |
  |
  |
terughoudendheid tov|
technologie-aan­bod |
  |
-----------------------------------------------------------------------------
  vrijheidsgraden integra­tie in
  tov de markt markten


Markt en technologie vormen tezamen een handelingsruimte waarin elke tuinder doelgericht zijn positie kiest. Men wikt en weegt over de eigen positie, men leert van de eigen ervaringen en van die van anderen en men ziet ook de fouten van anderen als het bewijs van de juistheid van de eigen positie. Men spiegelt zich voortdurend aan elkaar. Zeker in de glastuinbouw met zijn kenmerkende onder­linge communica­tie tussen de tuinders is dat het geval.
De ingenomen posities worden door tuinders over het algemeen scherp onderkend en benoemd. Er is een veelheid van termen en begrip­pen om de onderlinge ver­schillen te benoemen. Soms zijn dat dubbelzin­nige en verwarren­de begrippen, dan weer nauwkeurige termen waarachter elke tuinder een precieze vormgeving van het bedrijf in kwestie herkent.
Ten behoeve van deze studie hebben we een drietal termen geselecteerd om de belangrijkste bedrijfsstijlen die we kunnen onderscheiden in de glastuin­bouw, te karakteriseren. Het gaat om termen die ontleend zijn aan de inter­views met de glastuinders en die door het merendeel van hen als zinvolle begrippen worden onderkend. Het zijn termen waarin men zichzelf en/of anderen herkent. Hieronder zullen wij deze drie bedrijfsstijlen kort typeren.

Toppers.
De topper is een man die op substraat teelt (zeker de groente­telers onder hen). Hij heeft een gespecialiseerd bedrijf. Deelname aan studieclubs en onderlinge bedrijfsverge­lijking is zijn lust en zijn leven en essentieel voor de verdere bedrijfsont­wikke­ling. Doordat hij een gespeci­aliseerd bedrijf heeft wordt verge­lijking met de resulta­ten van andere telers mogelijk. De verhouding tussen hem en de collega's is als die in een klasse­ment. Men kan hem dus ook een klasse­mentstuinder noemen. De klasse­ments­tuinder wil zo hoog mogelijk komen. In concreto betekent het dat hij "het maximale uit de kas wil halen".
De topper is sterk geïnteresseerd in de technolo­gie-ontwikkeling. Zijn er innovaties waarmee de produktie kan worden opge­voerd, dan is hij daar als de kippen bij. De technologie-ontwikkeling gaat in de richting van sub­straat­teelt en dat is voor de topper een van de manieren om hoog te eindigen in de verge­lij­king met anderen. Andere tuinders acht hij in dat opzicht te "noncha­lant" (zoals anderen hem omgekeerd te "fanatiek" vinden en klagen over het "jagen" van de toppers).
De toptuinder schrikt noch van hoge investeringen, noch van forse schulden. En als het nodig is doet hij "het oude spulletje" aan de kant om er iets heel nieuws neer te zetten. Hij rekent alles om in opbreng­sten en kosten per meter. Hij zal eerder spreken van een investe­ring van 80 cent (de meter) dan van 8000 gulden. De topper onder de groentetelers rekent zijn opbreng­sten in kilo's, want hij heeft een van de "grote teelten" die op de veiling "geblokt" geveild worden. Hij ontvangt eenzelfde prijs voor zijn produkt als collega's en de onder­linge verschillen kunnen dus in kilo's worden uitgedrukt.
De klasse­mentstuin­der past zijn bedrijf zo nauwkeurig mogelijk in in markten én in het technologie-aanbod. Mede daarom acht hij zichzelf een 'topper'.

Echte tuinders.
Naast de toppers onderscheidt men de échte tuinders. De echte tuinders zijn degenen bij wie optimalisatie van natuurlijke groeipro­ces­sen met behulp van arbeid en vakmanschap voorop staat. Men spreekt ook wel van degenen "die altijd tussen de planten zitten". De term 'echte tuinders' wordt vaak gebruikt in tegenstel­ling tot de 'sub­straatjon­gens' en over het algemeen is snel duidelijk wat en wie ermee bedoeld worden. Dat wij die benaming overnemen betekent overi­gens niet dat we willen suggereren dat de toppers geen 'echte' tuinders zouden zijn (zoals we ook niet willen suggere­ren dat de 'toppers' de 'beste' tuinders zouden zijn). Het gaat hier om dubbel­zinnig­heden van het dage­lijks spraakge­bruik die we ongewijzigd overnemen omdat zij wel degelijk voor tuinders een concrete betekenis hebben.
De 'echte tuinders' zijn de tuinders die meerdere gewassen telen in verschil­lende seizoe­nen en die meestal in de grond telen. Seizoentelers of grondte­lers worden ze ook genoemd. De rol die de technologie speelt bij de toppers, wordt bij de 'echte tuinders' ingeno­men door arbeid en "art de la localité", de vakkennis van tuinders, de kennis omtrent het eigen bedrijf, de omgeving, het verleden en de samenhang tussen de ver­schillende produk­tie-activiteiten. Deze tuinders creëren doelbewust een aantal vrij­heids­graden ten opzichte van markten: ze werken bij voorkeur met familie-arbeid en vermij­den hoge finan­cie­rings­lasten.
Een 'echte tuinder' heeft een gemengd bedrijf en kan daardoor zijn opbreng­sten moeilijk in kilogrammen per meter uitdrukken. Om te verge­lijken rekent hij in saldo per meter en dan kan hij tot de conclusie komen dat hij in inkomen heel goed kan meekomen met de anderen. Hij vindt zichzelf absoluut niet achter­lijk. Hij ontwikkelt zijn bedrijf nog voortdu­rend maar doet dat doelbe­wust 'stukje bij beetje'. Zorgeloos is hij overigens niet; al vijftien jaar geleden werd verteld dat bedrijven als die van hem niet meer meekon­den. "Maar we zitten er nog steeds", zo wil een echte tuinder nog wel eens tevreden vaststel­len.

Verschillen tussen toppers en echte tuinders zijn legio en in overzicht 1 volgt een bloemlezing van de manier waarop deze onder woorden worden gebracht. Met de aangehaalde begrippen en tegenstellingen vullen tuinders de verschei­den­heid in tussen de toppers en de echte tuin­ders. Het onderscheid tussen beiden wordt met behulp van deze begrippen herkenbaar, ook al houden sommi­gen vol dat de toppers de échte tuinders zijn en beweren anderen dat onder de echte tuinders ook toppers zitten.

De twee groepen tuinders die we hiervoor besproken hebben, kunnen eenvou­dig worden ingevoegd in het schema dat we presenteerden in figuur 1. De toppers zijn degenen die tegelijker­tijd sterk zijn geïntegreerd in de marktver­houdingen en die de technolo­gie-ontwik­keling nauwgezet volgen. Zij komen rechtsboven in het schema. De 'echte' tuinders zijn in veel opzichten hun tegenvoeters en komen links onder in het schema. In figuur 2 hebben we beide groepen in het schema opgeno­men.


Overzicht 1. Karakteriseringen van toppers en echte tuinders.

DE TOPPER DE ECHTE TUINDER
doende met het echte werk verliest tijd aan randwerk
zit te zwaar raakt achterop
is economisch heeft hoge arbeidsprestatie
grootschalig arbeidsintensief
voorloper kan meekomen
gunstige werkspreiding pieken
voor het blok staan tijd nemen
manager tuinder
makkelijk investeren moeilijk investeren
piekerig investeren ontspannen investeren
jachtigheid, opzweperij gemoedelijkheid
fanatiekelingen laconieken
enorme kosten stopt er weinig geld in
hete tuinders kouwe tuinders
organiseert de arbeid werkt zich in het zweet
grote teelten kleine teelten
rauwdauwer een pietje precies
rigoureus ingrijpen bij infecties goed waarnemen
dure arbeid familiearbeid
duur qua investeringen, duur qua arbeids
goedkoop qua arbeid goedkoop qua investeringen
wil vooruit verdient een beste boterham
telen op het randje de plant het zelf laten uitzoeken
kan zijn handen vrijmaken geen tijd om om zich heen te kijken
heeft dieptekennis heeft breedtekennis
werkt rauwer moet op zijn tenen lopen
een snelle tuinder een voorzichtige tuinder
wil bijblijven gelooft het wel
turbotuinder kneuteltuinder
de nieuwste snufjes een goeie tweedehands
moet met stofjassen lopen wil geen schone handen
loopt op en neer naar de computer kent ieder hoekje
optimale werkers mensen met groene vingers
moet werk van anderen nalopen is eigen baas
is de extremen vóór laat de natuur zijn gang gaan
wil veel informatie trekken is naar binnen gericht
bulkproduktie typische teelten
kan niet op tijd oogsten heeft voldoende overzicht
een zenuwachtige tuinder komt niet aan de instellingen
een kritische tuinder werkt nauwkeurig
een schrijver werkt weinig planmatig
vroeg aan de markt een breed assortiment
wordt in blok geveild wordt op naam geveild
gooi- en smijtwerk wil netter werken
------------------------------------------------- -------------------------------------------------


Figuur 2. Bedrijfsstijlen in de keuzeruimte van markt en technologie.
---------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------
 
  | toppers
snelle overname | klein modern
technologie-aan­bod |
  |
  | middenmoters
  |
  |
  | rauwdouwers
terughoudendheid tov| echte tuinders
technologie-aan­bod |
  |
-------------------------------------------------------------------------------
  vrijheidsgraden integra­tie in
  tov de markt markten

Middenmoters.
Met het onderscheid tussen toppers en echte tuinders hebben we een flink deel van de in de gesprek­ken gevonden ver­schei­denheid benoemd maar het zou te simpel zijn om met een dergelijke indeling te volstaan.
Allereerst zijn er de middenmoters, de tuinders die technologische ontwik­kelingen volgen, bijvoorbeeld op substraat zijn gaan telen maar die dat doen in oudere kassen, dus maar gedeeltelijk. Of het kunnen bloemkwekers zijn die zich gespecialiseerd hebben op nog twee of drie soorten bloemen en die nog in de grond telen. Deze tuinders kunnen we situeren in het midden op de lijn tussen toppers en seizoentelers. Zij omschrijven zichzelf vaak expliciet als middenmoter.
Daarnaast zijn er nog tuinders die op enkele punten duidelijk een eigen strategie volgen en die niet eenvoudig kunnen worden geplaatst op de lijn tussen de toppers en seizoentelers. Er zijn bijvoorbeeld kleine (soms zeer kleine) bedrijven die niettemin de modernste technologie toepassen. Of er zijn de grote bedrijven die niet tot de toppers behoren omdat zij niet in de eerste plaats de hoogst mogelijke produktie nastreven. Rauwdouwers worden ze soms genoemd maar misschien doen we hun niet helemaal recht met een benaming met een zo negatieve bijklank. Hierop zullen we later terugko­men.
Er zijn echter niet veel bedrijven die buiten de lijn vallen en het is opval­lend dat de potenti­ële handelingsruimte in het geschetste schema derhalve slechts gedeeltelijk wordt benut. Dit is des te opvallen­der als men dit resultaat vergelijkt met bedrijfs­stijlenstudies in bijvoor­beeld de melkveehou­derijsector. In die studies blijkt een aanzienlijk aantal boeren te bestaan die met toepassing van moderne technologie toch een zekere afstand van de markt weet te behouden (machi­neboeren) of bedrijven die marktgeöriënteerd zijn maar niet per se de modernste technologiën toepassen (fokbedrijven).

Een sterke samenhang.
Het is mogelijk dat een verdere detaillering van de studie van de glastuin­bouw een meer gedifferentieerde indeling in bedrijfsstijlen mogelijk maakt. Maar de hoofdlijn zal blijven bestaan en die is dat bedrijven meer zijn geïnte­greerd in markten naarmate zij meer het technologie-aanbod volgen.
In meer wetenschappelijke termen: in de glastuinbouw convergeren het inspelen op technologie-ontwikkeling en het integreren in markten in sterke mate. Het reorganise­ren van het bedrijf volgens nieuwe technologi­sche modellen (bijvoorbeeld sub­straatteelt) veronderstelt én bewerk­stelligt een integratie in markten, zowel door verschulding als door specia­lisatie, als door be­drijfsvergroting (en de daaruit resulterende mobilise­ring van vreemde arbeid).
Deze samenhang is een kenmerk van de glastuinbouwsector en we kunnen hiervoor verschillende verklaringen vinden. Ten eerste is de afzetmarkt in de tuinbouw­sector via de veilingen hecht georganiseerd en is er vanuit de veiling een sturende werking op de bedrijfsvoering en op de strategische beslissingen van de individuele tuinders. Ten tweede zijn er de tuinbouw- studieclubs, waarin de meerderheid van de tuinders is georganiseerd en waarin tuinders gedetailleerd bedrijfsresultaten met elkaar vergelijken en ervaringen uitwisse­len. Deze studieclubs hebben invloed op het handelen van de individuele tuinder en dat kan als consequen­tie hebben dat tuinders in mindere mate dan elders geheel op eigen houtje een manier van werken ontwikke­len. Ten derde is de technologische ontwikke­ling in de glas­tuinbouw sowieso ver gevor­derd en daarmee is dus de invloed van de aanbieders van technologie in het individuele bedrijf relatief groot. De omvang van investerin­gen kan zo groot zijn dat specialiseren onvermijde­lijk en overstap­pen op een andere teelt bijna onmogelijk wordt. Dit kunnen we illustreren met het volgende citaat.

Je ziet steeds minder gemengde bedrijven. De kosten per teelt worden steeds hoger; een tomatensorteerder kost al 80.000 gulden, een komkom­mersorteer­der 40.­000 gulden. Dus als je zo'n machine koopt, moet je alles op één teelt zetten. Tomatentelers hebben zó veel geïnvesteerd dat ze niet meer zomaar kunnen stoppen. En je kan ook niet meer zomaar overstap­pen van één teelt op de andere. De overstap van tomaten naar chrysanten is bijvoorbeeld verschrik­kelijk duur; je hebt je belichting nodig, je ver­duiste­ring en gaas. Er zijn er die het gedaan hebben maar het is de vraag of het verstandig geweest is. Veel mensen zouden wel willen over­stappen maar de prijs is te hoog. Tegen­woordig is het zo dat als je eenmaal hebt geko­zen, je niet meer iets anders kan. Je kiest voor een teelt en je blijft daarbij. Dat is net als in fabrie­ken.


Een laatste argument is het feit dat de glastuinbouw op dit moment in een belangrijke fase van ontwikkeling is, een fase van overgang van teelt in de grond naar teelt op substraat, hetgeen een ingrijpende verandering is in het gehele produktieproces. In 'normale' omstandig­heden zijn er al aanzienlijke verschil­len in bedrijfsvoering maar die worden op dit moment versterkt door deze overgang. Op dit moment is daardoor het meest in het oog lopende verschil het verschil tussen hen die op substraat telen en hen die dat niet doen. In 'norma­le' omstandigheden zou de feitelijk benutte keuzeruimte wellicht minder sterk zijn uiteengerekt dan op dit moment.

In overzicht 2 geven wij tenslotte de kenmer­ken van de door ons geïnterview­de tuinders. Daarmee krijgt men een beeld van hoe de verschil­lende bedrijfs­stijlen zich van elkaar onderscheiden.

Overzicht 2. Kenmerken van geïnterviewde tuinders.
  Toppers Middenmoters Echte tuinders
       
Aantal bedrijven 9 10 12
       
Oppervlakte      
glasoppervlak 19.700 meter 10.600 meter 10.500 meter  
oppervlak open grond  3.900 meter 3.700 meter
      
Arbeid     
aantal bedrijfshoofden 1,44 1,90 1,67
aantal personeelsleden 7,33 2,40 1,00
      
Plaats van het bedrijf     
Westland 6 4 6
De kring 2 1 1
Barendrecht 1  2
Veenstreek   3 2
Rijnsburg   2 1
       
Teeltsysteem      
substraatteelt 7 6 2 (potplanten)
grondteelt 2 4 10
recirculatie 1 1 0
      
Aantal gewassen      
één gewas 7 4 1
twee of drie gewassen 2 3 4
vier of meer gewassen 0 3 7
eigen selectie 2 1 4
       
Soort gewassen      
groenten 6 5 6
bloemen 3 4 5
potplanten   1 1
       
Kassen      
aantal afdelingen 1,8 3,6 3,7
bouwjaar gemiddeld 1985 1983 1979
       
     
--------------------------------------------------------------- ------------------------ ------------------------


2.2. Toppers en echte tuinders.
We willen nu iets dieper ingaan op de keuzemogelijkheden die tuinders hebben en op hoe tuinders die keuzen onder woorden brengen. Allereerst laten we de 'top­pers' aan het woord.

Toppers.
De toppers streven naar een maximale produktie. "Wij streven naar een produk­tie van 28 kilo", is een uitspraak die je uit hun mond kan horen. Een van hen formuleert het heel scherp:

Wat wij doen is op het randje telen en als wij zeggen dat het niet goed gaat, betekent dat eigenlijk alleen dat we niet in de hoogst mogelijke produktie zitten.


Een ander zegt ook te streven naar een hoge produktie en maakt meteen duide­lijk dat techniek de weg is om dat streven te realiseren.

Ik zit niet eens bij de hoogste produktie; er zijn er die 50 kilo per meter halen maar ik heb niet het modernste bedrijf. Als je alles nieuw hebt moet je ook de hoogste produkties halen. Zij hebben meer licht en dus ook meer opbrengst. Zij hebben ook de CO2 beter gere­geld.


De toppers vergelijken hun resultaten met die van de anderen via de bedrijfs­vergelijkin­gen en met cijfers van de veiling. Om een topper te zijn is het niet voldoende om één keer hoog te eindigen. Door toeval kan het een keer goed gaan of juist slecht. De resultaten moeten gemeten worden over een langere periode, want zij kunnen be­nvloed zijn door een jaar pech, door infectie of een verkeerde reactie op bijzondere weersomstandigheden. Toppers in de klasse­menten zijn nauwkeurig omschre­ven.

Normaal zit de top op 105 en nummer twee op 95 en is het gemiddelde 75 à 80 gulden. Een toptuinder ben je pas als je in tien jaar zes keer bij de eerste tien zit en verder bij de eerste twintig. Dat lukt ons wel ongeveer. In de veertien jaar dat we al bezig zijn, zijn we toch vier, vijf keer geëindigd in de top drie.


Hieraan willen wij toevoegen dat wij bij onze indeling een iets ruimer omschrij­ving gekozen hebben. Voor ons zijn de toppers niet zozeer degenen die regel­matig in de top tien zitten. Bepalend is de deelname aan de vergelijkingen en het feit dat men aktief streeft naar maximalisering van de produktie.
Een toptuinder die een scherp oog heeft voor dit soort zaken, spreekt zich expliciet uit over het verschil tussen de toppers en de 'echte tuinders'.

Vroeger was een tuinder vooral een vakman die hard moest werken. Werken telt nu veel minder mee omdat je dat nu kan organise­ren door middel van goed manage­ment. De een heeft dat beter onder de knie dan de ander. De mana­gers hebben een hele goede organisatie en zijn als tuinder gewoon goed.
Bij de echte tuinders kan je in de kas zien dat er net een beetje meer liefde in gestopt is dan bij de ondernemers. Als je zo'n tuinder op een groot bedrijf zou zetten, zou hij binnen een week het personeel naar huis ge­stuurd hebben omdat ze te weinig doen of het niet goed doen.


De spreker ziet dat er verschillen bestaan en ziet ook dat die verschillen doorwerken in de hele manier van werken en in de organisatie van het bedrijf. Voor het ene bedrijf is technologie de sleutel ('makkelijk doen'), voor het andere de hoeveelheid en de kwaliteit van de arbeid ('moeilijk doen'). De keus voor het een of het ander is geen bijkomstigheid en wordt bepaald door de opvatting over hoe men behoort te tuinieren.

Het mooie van de tuinbouw is, dat er grote verschillen zijn tussen mensen en dus ook tussen bedrijven. Je kan vaak aan de buitenkant van een bedrijf zien wat voor persoon er binnen werkt. Het bedrijf moet aangepast zijn aan het karakter van de tuinder. Een pietje precies moet geen groot bedrijf hebben. Een klein bedrijf moet niet makkelijk gaan doen en omgekeerd moet een groot bedrijf niet moeilijk doen.


Dat het om een andere manier van werken gaat, illustreert een andere topper als hij reageert op een veel gehoord verwijt dat de planten voor de toppers een bijkomstigheid zijn geworden.

Een toptuinder kent zijn planten béter dan de anderen. En omdat hij zijn planten beter kent, haalt hij er op een gegeven moment nog een teeltbege­leider bij als er iets is wat hij niet weet. Een goeie tuinder, die pakt wat hij pakken kan, hij haalt zijn informatie waar hij kan. Hij kent zijn planten door en door en met de extra kennis die hij bij anderen opdoet, wordt hij des te sterker.


Een andere topper vindt ook dat hij vaak genoeg in de kas komt en benadrukt dat je ook verder moet kijken.

Je moet het zo regelen dat je alle tijd hebt voor het werk erom heen. Wij hebben de tijd om eens bij een ander te gaan kijken hoe hij het doet. Je doet het goed, als je gezorgd hebt voor ruimte voor jezelf. Simpel werk kan iedereen en verschillen in resultaten krijg je door andere dingen te doen dan anderen.


Echte tuinders.
En dan de 'echte tuinders'. Een duidelijke beschrijving geeft een topper die we eerder citeerden.

Ik ken iemand, die heeft echt groene vingers. Van boek­houden weet hij niets en de administratie is een grote puinhoop. Maar hij rúikt hoe het moet. Hij heeft 8000 meter glas maar die heeft hij maar voor de helft vol. Hij is altijd met planten bezig. Als ik hier in de loods sta te denken: "Jonge, jonge wat heb ik toch een mooie vrachtwa­gen gekocht", dan staat hij in zijn tuin: "Jonge, jonge wat staat die plant er mooi bij"!.
En het is mogelijk dat we alletwee evenveel geld verdie­nen, want het ene is niet per se beter dan het andere. Hij heeft een lagere produk­tie maar haalt misschien een zelfde resultaat. Hij zal wel minder apparatuur hebben en een tweedehands sorteermachi­ne.


De echte tuinder teelt in de grond, zijn teelten variëren met het seizoen en hij heeft dus geen jaarrond-teelten. Typisch is dat hij verklaart zich moeilijk te kunnen vergelijken met anderen:

Voor ons is vergelijken moeilijk, want een deel van de paprika hebben we in januari gepoot, een deel in februari en een deel in maart. We zouden dus eigenlijk alles moeten opschrijven. Hoeveel we in elke afdeling geplukt hebben en wanneer. Maar dat doen we niet, want we plukken van achte­ren naar voren en alles komt door elkaar te zitten.


"We zouden alles moeten opschrijven" wordt in bovenstaande citaat opge­merkt maar het gebeurt niet omdat men het niet nodig vindt. De omvang van het bedrijf is door­gaans kleiner dan het gemiddelde en bovendien wordt meer arbeid verricht door de tuinder zelf of door familie (in dit geval gaat het om een bedrijf met drie broers), zodat registratie minder relevant is. Daar willen we overigens aan toevoegen dat de 'echte' tuinders niet uitslui­tend werken met familiearbeid.
De kennis opgedaan door eigen ervaring is essentieel voor de echte tuinders. "Je moet ervan uitgaan dat als je van school komt, je nog niets weet", zegt er een. Door ervaring onderscheidt een goede tuinder zich in deze visie van een slechte.

Ik teel al veertien jaar paprika en daardoor weet ik veel meer over de teelt dan diegenen die vorig jaar begonnen zijn met paprika. Wie dit jaar voor het eerst in de paprika zit ziet allerlei dingen niet. Het kan vol trips en luis zitten zonder dat ze het in de gaten hebben. Het is een kwestie van levenserva­ring. Je moet dingen in de gaten hebben voordat het kwaad geschied is. Ik heb ervaring met trips en ik weet wanneer er iets aan de hand is. Als ik bij een ander in de kas kom, kan ik ruiken dat er spint zit. Dan zeggen ze: "Je bent gek" maar als ze beter zoeken, blijkt het wél zo te zijn. Spint kan je goed ruiken maar trips ook wel.


Als een teler van andijvie uitlegt uit waarom hij een betere prijs krijgt voor zijn andijvie dan anderen begint hij te zeggen: "Wij telen al 20 jaar andij­vie, dat scheelt". Het goede resultaat heeft te maken met het poten en ook bijvoor­beeld met de klimaatregeling. De eigen ervaring is daarbij meer doorslagge­vend dan de adviezen van deskundigen.

Wij hebben ook een lagere tempera­tuur dan ande­ren. De voorlichting zegt dat je een nachttempera­tuur moet hebben van 8 graden, want anders krijg je een magnesiumtekort. Mijn ervaring is anders. Onze nachttem­peratuur is 5 of 6 graden en dat gaat goed. Ik houd er niet van om andijvie door te stoken, want andijvie laat zich niet dwingen. In het oudste deel van de kas stoken we hele­maal niet en daar merk ik ook niets van magnesi­umgebrek.


Een spreker wijst erop dat de echte tuinders niet alleen de mannen zijn met de groene vingers, die steeds tussen de planten zitten maar ook degenen die anders werken, andere dingen doen.

Die echte tuinders zijn meesters in het vinden van goedkope oplossin­gen, zij lassen bijvoorbeeld werktuigen zelf of knappen zelf appara­tuur op. Daarin schuilt ook veel van de weerstand van tuinders tegen de toppers. De logica van de toppers, het dwingende karakter daarvan is vreemd voor hun.


Een topper heeft overigens niet veel vertrouwen in de mogelijkheden van de 'echte tuinders'.

Ik wil ze niet het stempel geven van afvallers maar over die groep hebben wij wel de meeste zorgen. Zij leven tussen de planten omdat zij de rest laten liggen.



2.3. Middenmoters en anderen.
De tuinders die niet makkelijk kunnen worden ingedeeld in een van de twee eerder omschreven groepen zullen we nu wat gedetailleerder bespreken. Wij kunnen deze groep de middengroep noemen maar die term is slechts gedeelte­lijk juist. Er zitten tuinders bij die moeilijk zijn in te delen omdat zij te zeer een eigen koers varen.

Middenmoters.
Een gedeelte van de middengroep kunnen we daadwerkelijk beschouwen als midden­groep. Dat zijn degenen die zich bevinden tussen beide uitersten, bijvoorbeeld de tuinders die op substraat zijn gaan telen maar nog in oudere kassen of met oudere apparatuur. Een van hen stelt bijvoorbeeld tevreden vast dat hij bij de studieclub op de zesde plaats staat hoewel zijn kas toch niet het allermodernste is. Een ander is overgestapt op substraat maar wil het vervol­gens weer een tijdje kalm aan doen.

We kunnen een nieuwe aluminium kas neerzetten maar deze houten kas is nog niet verrot. We hebben nu een flinke omschakeling achter de rug en ik wil eigenlijk een beetje rust op het bedrijf, stoppen met investe­ren en een paar jaar niks doen. Je kan wel vernieuwen maar als over twee jaar de prijzen dalen, dan zit je ineens.


Deze spreker wil wel verder vernieuwen omdat zijn zoon het bedrijf wil overnemen. Opvallend is dat hij toegeeft dat de lengte-breedte verhouding niet goed is maar meer op basis van wat "men" erover zegt, dan op basis van eigen ervaring.

Voor de arbeid scheelt het zeker of je honderd of tweehonderd meter moet lopen. Als je er toch mee zit dan neem je het voor lief maar als je afgaat op de LEI-cijfers zie je dat het niet rendabel is.


Bloemkwekers die zich gespecialiseerd hebben in twee of drie teelten, kunnen we ook rekenen tot de middengroep. Zij telen nog in de grond maar hebben wel moderne kassen en apparatuur. Opvallend is hier dat zij de nadruk leggen op de voordelen van afdelingen. Kassen met afdelingen hebben tussenwan­den, waardoor per afdeling het klimaat geregeld kan (moet) worden. Kassen van verschillend bouwjaar zijn meestal ook gescheiden door tussen­wanden. De tussenwanden geven lichtverlies en maken de klimaatregeling ingewikkel­der. Over het algemeen wordt geadviseerd om kassen te bouwen zonder tussen­wanden.
Een bloemkweker die zich gespecialiseerd heeft op twee soorten, is ervan overtuigd dat afdelingen gunstiger zijn omdat verschillende teelten verschil­lende behoeften hebben. Door afdelingen is het mogelijk verschil­lende teelten naast elkaar te houden.

Met afdelingen kan je makkelijker het klimaat sturen. Als bloemen groeien moeten ze een ander klimaat hebben dan wanneer ze in bloei staan. Als ik een vierkante kas van 15.000 meter moest volzetten met tulpen, dan moest ik een heel bejaar­denhuis inschakelen om te helpen bossen.


Een ander vult aan:

Een computer voor acht afdelingen is veel duurder, want hij moet groter zijn en in alle afdelingen meetpunten hebben. Het scheelde duizenden guldens. Een lange smalle kas scheelt ook in stookkosten, naar schatting wel tien procent. Aan de andere kant is het een voor­deel dat je per afdeling het klimaat kan instellen. Er is hier een ander bedrijf met maar twee meetpunten en daar lukte het niet om Celosia en Matricaria naast elkaar te kweken omdat ze een verschil­lend klimaat nodig hebben. Als wij nieuw­bouw zouden plegen, zouden we weer in afdelingen bouwen.


Een groenteteler geeft een ander voordeel van werken in oudere kassen en dus in afdelingen.

De overgang op steenwol was helemaal niet eenvoudig maar daarbij bleek weer een voordeel van onze kas: Wij konden zien dat wat in de ene kas niet lukte, in de andere kas wel ging en daaruit konden we afleiden wat de fout was. Al doende hebben we onze teelttech­niek ontwikkeld. Bij andere teelten kan het gunstig zijn een kas te hebben zonder afdelingen maar wij planten in verschillen­de periodes en dan komt het goed uit als je per afdeling het klimaat kan instel­len. Planten in verschillende groeifases hebben verschil­lende klimaat­om­standig­heden nodig. In een kas met afdelingen kan je zeker dezelfde en soms een hogere produktie halen dan in een moderne grote kas waarin het klimaat is afgestemd op het gemiddelde.


Rauwdouwers.
Behalve deze bedrijven die in de middengroep zitten (die een middenpositie innemen in de keuzeruimte tussen markt en technologie), zijn er ook bedrijven die een ándere logica volgen.
Allereerst zijn daar de grotere bedrijven voor wie een hoge produktie niet het belangrijkst is. Zij worden door andere tuinders vaak rauwdouwers genoemd alhoewel een term met een zo negatieve bijklank niet helemaal rechtvaardig is, zoals we nog zullen zien. Als men spreekt over grotere bedrijven met een iets lagere produktie gebruikt men vaak termen als rauwdouwers of spreekt men over het "gooi- en smijtwerk".
In het schema dat we eerder in dit hoofdstuk presenteerden, kunnen we deze bedrijven rechts onder plaatsen. Zij zijn vrij sterk geïntegreerd in markten (en met name in de arbeidsmarkt) maar terughoudend ten opzichte van het technologie-aanbod. De toppers onderscheiden zich nadrukkelijk van deze grotere, meer extensieve bedrijven:

De grotere paprikabedrijven met vier of vijf hectare halen meestal toch een lagere produktie de meter of ze moeten een keer geluk hebben gehad. We zouden best groter kunnen worden met het personeel wat we nu hebben, voor de rest dan aangevuld met buitenlanders. Maar als je alles door eigen perso­neel laat doen werk je nauwkeuriger ook met bijvoorbeeld de gewas­bescher­ming want het scheelt wel of je er zelf door moet lopen of een ander.


De rauwdouwers werken grover dan de toppers en iemand geeft een voor­beeld hoe dat gaat.

Als je bezig bent met dieven en indraaien en als je dan merkt dat een plant een donkere kop heeft, dan moet je van de kar afstappen en even controle­ren of de druppelaar niet uit de pot is geschoten. Als het personeel niet geïnteres­seerd is dan doen ze dat dus niet.


Deze spreker kent het argument dat groten voor controlewerk en voor het letten op plagen iemand speciaal kunnen aannemen maar gelooft niet dat dat veel gebeurt.

Ha ha, ja dat weten we wel! In de praktijk werken ze toch veel rauwer en ze hebben meer uitval. Uit de cijfers van de bedrijfsvergelijkingen blijkt toch dat ze een lagere opbrengst hebben en meer binnenlanders*. Je kan elke dinsdag zó aflezen, dat het nogal wat uitmaakt of je met vier mensen werkt of met vijftien.


Een andere tuinder zegt dat het mogelijk is speciaal iemand in dienst te nemen maar wijst erop dat je de mensen die dat willen of kunnen met een lantaarntje moet zoeken.
Een grote bloemkweker geeft toe dat hij een hogere produktie zou kunnen halen maar maakt zich daarover niet erg druk.

Ja, ik weet ook wel dat ik hoger zou kunnen uitkomen maar ik kan daar niet zo mee zitten. Als ik dat zou willen, moest ik de hele dag lopen rennen en controle­ren, tellen en opschrijven. Ik houd in de gaten wat ik in de gaten moet houden en ik weet dat ik er niet slecht mee uitkom.


Een middenmoter vertelt over de discussies die hij soms heeft met de rauw­douwers.

Zij zeggen: "Als wij een halve gulden de meter over houden, dan hebben wij uiteindelijk toch nog meer dan jullie met een gulden de meter". Ik heb natuur­lijk bepaalde kosten die hoger zijn op een klein bedrijf. Mijn computer is net zo duur als die van hun. Maar zij werken rauwer en daardoor halen zij niet zo'n hoge produktie. Ze hebben drie hectare of meer maar ik vind dat ze er maar weinig van maken. Alles moet gauw gauw en ze hebben te weinig overzicht.


Een grotere komkommerteler denkt dat er wel een verschil is tussen zijn bedrijf en andere, kleinere bedrijven (ook al zal hij zichzelf niet gauw een rauwdouwer noemen).

Wij hebben pakweg elf personeelsleden en die heb je niet allemaal aan een touwtje, de een werkt netter dan de ander. Grote bedrijven hebben meer last van ziekten; een klein bedrijf heeft minder tweede soort; als je met twee man bent en één personeelslid, dan ken je bij wijze van spreken iedere plant.


Het hangt met elkaar samen: grotere bedrijven hebben eerder last van plagen, zij gaan eerder over op een nieuwe teelt en hebben daardoor minder geschoold personeel nodig.

Als je last van ziekten hebt, is een nieuwe teelt beginnen een goed alterna­tief. De bedrijven met drie teelten zijn vaak de grotere bedrijven. Een nieuwe teelt beginnen betekent meer werk. De arbeids­pieken zijn groter en het werk kan gedaan worden door minder ge­schoolde mensen want de komkommers zijn recht en makkelijk te vinden. In een oud gewas moet je vakmensen hebben, want die zien bijvoorbeeld sneller welke komkom­mers niet en welke wel geplukt mogen worden.


Het grovere werken van rauwdouwers hoeft overigens niet altijd tot lager opbrengsten te leiden maar bijvoorbeeld tot een lagere kwaliteit.

De kwaliteit van de komkommers loopt achteruit. Ik weet er een die hoge kilo-opbreng­sten haalt maar elke keer moeite heeft om door de keuring te komen. Eenmaal in de week plukken, dat hoort niet. En als hem dat wordt gezegd reageert hij lauw, het interesseert hem eigen­lijk geen bal.


Grotere bedrijven kunnen soms onder de maximale produktie zitten, doordat zij grover werken maar ook doordat zij niet in alles de modernste techno­logie inschakelen. De betreffende tuinders weten dat zij niet de maximale produktie halen maar zij zullen niet zeggen dat zij grover werken, veeleer dat zij ánders werken. Een tuinder benadrukt dat hij zijn bedrijf vanaf het begin schraal heeft opgebouwd. Hij is groot geworden door bewust niet de modernste kassen neer te zetten maar oudere kassen over te nemen. We zullen deze tuinder het een en ander zelf laten toelichten:

Het doel is het maken van een produkt van goeie kwaliteit tegen een lage kost­prijs. Hel­emaal nieuw bouwen lijkt mooi. De mensen uit Naaldwijk zeggen dat dat het beste is maar ik denk dat we nooit zo groot waren geworden als we dat hadden gedaan. Wij willen zo econo­misch mogelijk werken.


Het argument voor nieuwbouw is dat nieuwe kassen minder lichtverlies geven door een lichtere constructie. Vierkante kassen hebben ook het voordeel dat de loopafstanden er kleiner zijn. Met een simpele berekening laat deze tuinder zien dat die voordelen er wel zijn maar in zijn bedrijf niet opwegen tegen de kosten.


We hebben hier oude kassen met een hoge produktie. Ik kan wel zien dat de produktie in de oudere kassen iets lager ligt dan in de nieuwe. We hebben uitgerekend dat het verschil ongeveer tien procent is in de bruto-produk­tie. Als je rekent dat we een gemiddelde opbrengst hebben van 77 gulden per meter, dan levert een nieuwe kas dus ongeveer negen gulden per meter meer produktie op. Een nieuwe kas kost ongeveer honderd gulden per meter en dat geeft aan kosten per jaar ongeveer dertien gulden de meter. Zo kan je makkelijk uitreke­nen dat het rendement in een oude kas hoger is dan in een nieuwe. Zodra ik denk, of liever kan uitreke­nen, dat we in een nieuwe kas meer kunnen verdienen, zijn deze kassen binnen twee jaar afgebroken. Maar tot nu toe is ieder jaar dat we die oude kast laten staan, winst.


Niet zonder enige triomf stelt de spreker vast dat hij nu een prima bedrijf heeft van meer dan vier hectare door geleidelijk meer bij te kopen en door zijn eigen gang te gaan.

Als ik gedaan had wat ze in Naaldwijk zeiden dat ik moest doen, dan had ik nu 20.000 meter glas gehad met minder rendement dan nu. Eigen­lijk kan je zeggen dat er in de afgelopen jaren een enorme kapitaal­vernietiging heeft plaatsgevon­den.


Klein en modern.
Het tegenovergestelde van de hiervoor genoemde bedrijven zijn de kleine maar moderne bedrijven. Een voorbeeld daarvan is een kleine potplantenteler met minder dan vijfduizend meter glas maar volledig op rolcontainers met een gecompu­teriseerd transportsys­teem, een vulmachine en een machine om de potten wijder te plaatsen.

Sommigen zeiden dat het helemaal niet kón. Op zo'n klein bedrijf zoveel investe­ren kan nooit rendabel zijn maar het blijkt heel goed te kunnen. De meeste potplantenbedrijven zijn tien keer zo groot en de apparatuur die wij hier hebben staan zie je meestal alleen bij die groten.


Het is moeilijk om dergelijke dure investeringen rendabel te maken. Je moet daarvoor goed nadenken en je moet vooral goed rekenen:

Je moet gewoon blijven kijken en denken. Kijken hoe anderen het doen, denken hoe alles beter kan worden georganiseerd, hoeveel investeringen kosten en hoeveel arbeid je ermee bespaart en hoe je de gunstigste subsidiere­geling kan vinden. De machine die de potten vult en op tablet­ten zet, kost bij elkaar zeker 100.000 gulden en gaat naar schatting tien jaar mee. Per jaar kost dat dan 15.000 gulden; vind maar eens een arbeider die dat werk kan doen voor die prijs en dan nog eens precies op het moment dat je hem nodig hebt! Een volgende investering moet een machine zijn die de potten die klaar zijn voor de veiling kan inpakken. Daaraan zijn we nu nog de meeste arbeid kwijt.


Was voor één van de vorige sprekers, de tuinder met een groot bedrijf en oude opstan­den, registratie essentieel voor succes, in dit geval is kijken en nadenken essentieel. Het zal duidelijk zijn dat mechani­sering op een klein bedrijf alleen rendabel is als men geen fouten maakt. De redene­ring van een typische topper, dat je moet bijblijven zal in dit geval niet tot succes leiden, omdat het risico van een verkeerde investering te groot is. Nadenken en kijken is van belang om zorgvuldig uit het technologie-aanbod die keuze te kunnen doen die voor het eigen bedrijf inpasbaar en rendabel is.

Het valt niet mee om het in de praktijk te laten werken, want je komt onder­weg talloze problemen tegen waarover tevoren niet verteld was. Er was altijd wat. Vorig jaar stonden we nog op het punt om de hele boel maar te vergeten en om het water niet te laten recircule­ren.


In dit bedrijf is mechanisering hoofdzaak en dat is iets waarin het zich onder­scheidt van de 'echte tuinders':

Alleen een machine is in staat om het wijder zetten van de potten goed te organiseren. Vroeger hebben we op talloze verschillende manieren gepro­beerd de potten wijder te zetten maar elke keer werd het een puinhoop.


Een echte tuinder is zich nauwelijks bewust van een dergelijk pro­bleem: als de planten gegroeid zijn, moet je ze uit elkaar zetten en daarmee basta. Deze tuinder echter gebruikt de mogelijkheden van de technologie om de arbeidsbe­hoefte te beperken en om zo het bedrijf verder te kunnen ontwik­kelen. De grens wordt bepaald door de hoeveelheid eigen arbeid en die van zijn zoons. Deze tuinder streeft er met andere woorden naar de afhankelijkheid van met name de arbeids­markt te beperken. Het voor de hand liggende streven naar een betere benutting van de hoeveel­heid appara­tuur door bedrijfsvergro­ting verwerpt genoemde tuinder dan ook.

Ik heb achter nog 2400 meter open grond en die zou ik ook kunnen bebou­wen. Op een grotere oppervlakte kan je beter profiteren van het dure automa­tische systeem maar dan zou je er misschien iemand moeten bijnemen. Wat mij betreft is het zo meer dan genoeg. Misschien willen mijn zoons straks wel uitbreiden.


Er zijn meer tuinders met een modern bedrijf voor wie de wens om klein te blijven voorop staat:

Ik ben begonnen met de helft van het glas weg te halen; dat was vreemd want de meesten zetten er gelijk wat warenhuizen bij. Ze vroegen wel "zou je nou niet wat meer glas nemen?" maar dan zei ik "Ben je bedonderd, dat heb ik helemaal niet nodig!". De rest heb ik nieuw gebouwd, want dan moet het ook wel goed zijn wat je doet. Ik heb meteen een dure computer gekocht die eigenlijk groot genoeg is voor een bedrijf van twee hectare.


De ideeën van tuinders omtrent de gewenste bedrijfsomvang vormen een belangrijk element bij het uitstippelen van de bedrijfsontwikkeling.

Kijk, hierachter heb ik nog tweeduizend meter grond, waardoor ik kan uitkijken over de polder. Als ik daar glas zou neerzetten, keek ik de hele dag tegen die kasten aan; ik zou toch gek zijn als ik dat deed! Een heleboel mensen vergeten gewoon te leven. Ze willen allemaal in een Mercedes rijden maar ik vind een Opel ook best. Ik ben meer een levensgenie­ter. Waarom zou je nou groot worden? Als je dood gaat kan je niet meenemen wat je hier verdiend hebt. Ik zeg maar zo, in je laatste jas zitten geen zakken!


De gewenste bedrijfsomvang is een veelbesproken onderwerp en het hangt sterk af van de individuele wensen wat het best is. Klein blijven kan proble­men geven maar groot zijn of worden net zo goed.

Ik ken iemand die pas twee hectare glas heeft neergezet en verdo­rie nou kan hij geen goed personeel vinden. Dat soort problemen krijg je als je het zo aanpakt. In de studieclub zitten mensen, die het altijd druk hebben, die 's avonds nooit weg kunnen. Dan denk ik bij mezelf: "Je hebt toch iets niet goed gedaan". Je moet niet groter worden dan je kan waarmaken.


Deze spreker maakt duidelijk dat hij gewoon niet dénkt over groter worden, want hij heeft het te druk met denken over andere dingen.

Ik vind die Veronicateelt leuk en heb er plezier in als dat straks goed betaald wordt. Een ander loopt waarschijnlijk in diezelfde tijd te denken hoe hij het bedrijf kan vergroten.


De opvattingen lopen uiteen en met evenveel reden argumenteert een grotere tuinder dat hij niet graag in zijn eentje zou werken.

Ik houd er wel van om met mensen te werken; ik zou niet graag met twee mensen werken. Het is belangrijk dat je goed kan omgaan met je perso­neel. Als ik het idee zou hebben dat de jongens hier alleen komen om hun uren vol te maken, dan zou ik het niet naar mijn zin hebben. Dat lijkt me eigenlijk ook heel eenzaam.


Totzover een schetsmatige indeling in bedrijfsstijlen in de Zuidhollandse glastuinbouw, waarop we verderop zullen voortbouwen. Het onderscheid tussen toppers en echte tuinders staat bij deze indeling centraal, ook in de verdere tekst. Het is van belang erop te wijzen dat de indeling die wij gemaakt hebben een verkenning is en dat met name de groep tuinders die wij bij het hoofdstukje middenmoters behandeld hebben, niet volledig uit de verf komen, gedeeltelijk door het beperkte aantal tuinders dat wij konden interviewen, gedeeltelijk doordat de mogelijkheden tot een nadere indeling pas in de loop van het onderzoek duidelijker werden. Dit laatste is een logische ontwikkeling, die zich in elk onderzoek voordoet. Verder onderzoek kan wellicht een betere indeling en een verdere detaillering van de beschrijvingen, mogelijk maken.

2.4. Regionale verscheidenheid in de glastuinbouw.
Een ander kenmerk dat we tenslotte in dit eerste hoofdstuk niet onbesproken willen laten, is de regionale verschei­denheid in de glastuin­bouw die ten dele met de hier geschetste variatie in bedrijfsstijlen samenhangt. In het Zuidhol­lands glasdistrict*, is het aantal toppers verhoudingsgewijs het hoogst. Elders overheerst nog steeds het gemengde bedrijf, voor de bloemen­teelt vooral in de omgeving van Roelofarendsveen en van Rijnsburg, voor de groenteteelt vooral in de omgeving van Barendrecht. Dit is nog steeds zo, ook al is een tendens in de richting van specialisatie ook in de venen en op de Zuidhol­landse eilanden aanwezig.
Het onderscheid tussen westland en de rest is een onderscheid dat makkelijk herkend wordt. Bij de beschrij­ving van de manier van werken in de verschil­lende streken vinden we onmiddellijk de elementen terug die wij eerder beschreven als kenmerken van verschillende bedrijfstijlen. Een tuinder uit Rijnsburg geeft een beschrij­ving van de manier van werken in het Westland, die overeenkomt met de aanpak van de 'top­pers', die gewend zijn investerin­gen in het groot aan te pakken.

In het Westland slagen ze erin, om in twee jaar de hele druiven­teelt eruit te gooien, of later de teelt van anjers. "Wat het kost, dat kost het", zeggen ze daar.


Anderzijds bekritiseert een deskundige de neiging in het gebied rond Baren­drecht vast te houden aan gemengde teelten en om niet te veel te investeren, zoals we dat ook gezien hebben (en verderop nog zullen zien) bij de omschrij­ving van de echte tuinders.

Men is hier snel geneigd om een nieuwe teelt aan te pakken en men stopt ermee als het wat wordt. Ik heb het altijd jammer gevonden dat ze hier de ontwikkelin­gen niet willen oppakken. Ze hebben veel kennis over teelten maar dan laten ze het Westland de zaken in het groot aanpak­ken. Dat zouden ze net zo goed zélf kunnen doen.
Investeringen pakken ze vaak te klein aan en achteraf krijgen ze daar spijt van. Ze willen hier wel hard werken, lange dagen maken maar nadenken ontbreekt eraan: "Doe ik het goed, wat doen anderen, wat kan er beter?".


Opvallend is dat de manier van werken die een kenner van de tuinbouw in Barendrecht geringschattend omschrijft met "hard werken, lange dagen maken" en met een "lakse aanpak", door de betref­fende tuinders anders wordt ervaren. Zij spreken eerder van een "rustige aanpak". Een tuinder uit de buurt van Rijns­burg spreekt over een "rusti­ger" tuin­bouwge­bied zoals Lent bij Nijmegen.

Ik was laatst met de studieclub in de buurt van Lent. Dat vind ik een mooi gebied. Het is er kleinschaliger en rustiger dan in het Westland. Daar zeggen ze: "We hebben het toch redelijk hier; wij hoeven geen glas bij bunders tegelijk neer te zetten". Dat bevalt mij wel.


Een voorlichter uit Barendrecht vertelt over zijn ervaring met Westlanders die heel anders te werk gaan dan de mensen in Barendrecht.

Er is een wat lakse opstelling hier en een zakelijke daar. Ik heb me wel aan die Westlanders geërgerd, want ze zijn soms erg cru en ze sneeuwen je onder. Er was bijvoorbeeld een tomatenteler die wilde maar liefst twee hectare cherry-tomaten neerzetten. Ik heb ze gewaarschuwd: "Pas op, ze vragen veel meer arbeid dan je denkt". En dan zeiden zij: "Hou toch op man, je over­drijft. Mis­schien houden we het maar op zesduizend meter". En warempel, daar zetten ze tóch in een keer alles vol. En ze doen het nog het best van allemaal! Je weet hoe moeilijk het is om mensen te krijgen in het West­land en dat lukt ze ook nog! Het zijn toppers en het mooie is dat ze anderen mee omhoog trekken.


De manier van werken van "De Westlander", d.w.z. van wat elders als de gemiddelde Westlander wordt gezien, roept natuurlijk elders wrevels op alhoewel er tegelijkertijd ook bewondering is. Men beschouwt Westlan­ders als opscheppers die denken dat zíj de glastuinbouw hebben uitgevonden en men is blij als men af en toe iemand op zijn nummer kan zetten:

Laatst kwam er een Westlander met een excursie op het bedrijf van een collega. Die begon uit te leggen hoe ze in het Westland studieclubs hebben die wekelijks bij elkaar komen om de moeilijkheden van een teelt te bespre­ken enzovoort. Toen zei die collega: "Ja, het is me bekend. Ik ben zelf toevallig al tien jaar voorzit­ter van een studieclub!".


Verschillen van werken zijn er zeker. De tuinders kennen de verschillen en kunnen deze nauwkeurig omschrijven. Ook kenners van de sector nemen de verschillen waar.

Studiea­vonden of excursies komen in de kleinere teelten niet van de grond. Als iemand iets bijzonders had en als ik vroeg of we met een paar telers mochten komen kijken, zeiden ze regelmatig: "Nee liever niet". Men ziet hier de anderen als concurrent en heeft de neiging zo te telen dat anderen er niets van merken. Ik was een keer bij een tuinder die vrij veel postelein teelde en dat ging best. Hij zei dat ik er maar niet over schrijven moest, omdat anders iedereen postelein zou gaan telen. Een tijdje later kom ik hem tegen en dan zegt hij: "Hé, ik heb dat artikel­tje van je gelezen over ont­smetten in de postelein en het werkt inderdaad prima!". Nu hebben anderen de teelt van cherrytomaten overgenomen en dat vinden ze niet leuk. Je merkt het aan hun stemming. Het is gewoon niet zo leuk meer als in het begin en dan merk ik dat ze het me kwalijk nemen dat ik erover ben gaan publi­ceren in de bladen.


De cherrytomaten zijn een goed voorbeeld van de regionale verschillen in de glastuin­bouw. Tien jaar geleden begonnen enkele tuinders in Barendrecht ermee. Het werd een succes en het Westland nam de teelt over. De grootste bedrijven rond Barendrecht zijn 6000 en 8000 meter groot en hebben nog hete-lucht verwarming*. Met name sorteerma­chines zijn erg duur en nauwe­lijks te betalen voor kleine bedrij­ven. De teelt van cherrytomaten in deze omgeving zal daardoor in de toekomst moeilijker worden. Bij gewassen als ijsbergsla of eerder radijs hebben zich verge­lijkbare ontwikkelingen voorge­daan. Een van de Westlan­ders die de teelt van cherrytomaten heeft overgeno­men, is zich wel bewust van het proces en maakt het verschil duidelijk tussen het Westland en Barendrecht.

Wij waren natuurlijk niet de eersten die cherrytomaten teelden, want nieuwe teelten worden juist uitgevonden door de kleintjes, door hobbyis­ten. We waren de eersten die ze in het groot gingen verwerken. Wij pakten op wat ze in Barendrecht ontwik­keld hebben. Wij maken ze eigenlijk gelijk kapot, want zo gauw wíj eraan beginnen is de teelt voor hun niet meer te doen.


Eén verschil is de schaal waarop gewerkt wordt en een ander verschil is misschien de mentaliteit van de tuinders. Tegenover het "individualis­me" van de tuinders in Barendrecht staat de "openheid" en de uitwisseling van kennis van de Westlander. Bovengenoem­de cherrytoma­ten­teler daarover:

Je kan zien wat een ander in de kas heeft staan maar om het te beoorde­len moet je de cijfers erbij hebben. Het is een voordeel als je daar open in bent. Buiten het Westland komen ze bij wijze van spreken achterom met een zak mest het bedrijf op, terwijl je dat beter via de voordeur kan doen. De buurman ziet dat en vraagt dan: "Joh, waarom doe je dat nou?" of "Zou je nu zus of zou je niet zo doen?". Daar word je allebei wijzer van.


Er is een verschil in de manier van werken, een mentaliteitsverschil tussen de tuinders in het Westland en die erbuiten.

Ik zou niet met het Westland willen ruilen. Al gaven ze me anderhalve hectare voor niks dan deed ik het nog niet! Het is hier toch veel mooier om te wonen. In het Westland zie je overal glas en loodsen, het is er net een fabriek.


Aldus iemand die zijn bedrijf buiten de grote tuinbouwgebieden heeft liggen. Iemand uit Barendrecht spreekt over de échte tuinders die in Baren­drecht zitten en die het vak geleerd hebben in de vollegrond, in de tijd dat men met vijf, zes soorten groenten naar de veiling ging. Weerstand tegen het fabrieks­matige van de gespecialiseerde jaarrond-teelten in het Westland (en in Aals­meer) treft men aan in Barendrecht, bij de bloemen­te­lers in Rijns­burg en ook meer algemeen bij wat we de echte tuinders genoemd hebben.
Veel kenmerken van de 'echte' tuinders zijn van toepassing op doorsnee bedrijven in Barendrecht zoals we gezien hebben en we zien dezelfde patro­nen in Rijnsburg. Een potplantenteler uit die buurt laat duidelijk die overeen­komst zien:

De tuinders hier zijn niet gewend om te kijken naar wat anderen doen. Ze zijn een beetje naar binnen gericht en men is nog steeds verbaasd over de twee teelten die wij hebben. Overal zie je een tendens in de richting van potplanten­teelt maar dat is eigen­lijk aan deze streek voorbij gegaan. Je kan overi­gens niet zeggen dat het hier slecht gaat. De kosten zijn laag want die kasten zijn neerge­zet voor 35 gulden per meter, terwijl nieuwe kasten nu 150 gulden kosten. En degenen die wel een opvolger hebben, hebben over het algemeen goede bedrij­ven.


We kunnen zien dat er verscheidenheid bestaat in bedrijfsstijlen in de glastuin­bouw en dat er ook verscheidenheid bestaat tussen verschillende regio's in Zuid-Holland. Deze verscheidenheid heeft opvallende overeenkom­sten maar het is van belang erop te wijzen dat het niet exact op elkaar aansluit. Een blik op het overzicht van de geïnter­viewde tuinders eerder in dit hoofdstuk, maakt duidelijk dat de toppers zich ook buiten het Zuidhollands Glasdis­trict bevinden en dat anderzijds ook 'echte tuinders' gevonden kunnen worden in het Westland. In dit onderzoek geven wij er daarom de voorkeur aan onder­scheid te maken in bedrijfsstijlen, in plaats van tussen regio's. De regiover­schillen zijn echter te belangrijk om geheel aan voorbij te kunnen gaan.