Toppers en tuinders

door Ir J.H.Spaan en Dr ir J.D.van der Ploeg




1. Inleiding

Het doen en laten van boeren en tuinders is vanuit vele ge­zichtspunten en wetenschappelijke disciplines bestudeerd. In veel studies gaat men daarbij uit van theoretische modellen waarin het "optimale" gedrag wordt gespecifi­ceerd. Bij landbouw­economische en landbouwtechnische uiteenzettingen is dat bijvoor­beeld in sterke mate het geval.
Dergelijke benaderingen kunnen nuttig zijn maar hebben ook tekortkomin­gen. Zo is het vaak moeilijk om de feitelijke verscheidenheid in de sector te begrij­pen vanuit dergelijke modellen.
In deze studie over de glastuinbouw in Zuid-Holland volgen we een ander spoor: De niet onaanzienlijke variatie in deze sector zullen we beschouwen met de ogen van degenen die deze verschillen zelf bewerkstelli­gen. We zullen, met andere woorden, de verscheidenheid beschou­wen door de bril van de betrokken tuinders. Met deze benadering kunnen we beter begrij­pen waarom bepaalde tuinders doen wat volgens de heersende opvattingen ouderwets of oneconomisch en dus onbegrijpelijk zou zijn.

Deze studie is verricht in opdracht van de Provincie Zuid-Holland (dienst water en milieu). Zuid-Holland is de provincie waar bijna twee-derde van de Neder­landse glastuinbouw is geconcentreerd en hier ondervindt men bij uitstek de noodzaak om rekening te houden met bestaande en toekom­stige ontwikkelin­gen. De opdracht van de provincie was uit te zoeken welke bedrijfsstijlen men kan onderscheiden in de sector, of verschillende bedrijfsstijlen het milieu op verschillende manieren belasten en vervol­gens hoe de provincie rekening kan houden met die verschillen bij het uitzet­ten van een milieubeleid voor de sector.

In afwijking van veel bestaande studies zijn we niet uitgegaan van een mini­tieuze onderverdeling naar bedrijfsgrootte, gewassenkeuze, kastype enzo­voort. Ons uitgangspunt is het idee van de kas als produktieplaats. Of er in die kas druiven, tomaten of chrysanten staan, brengt in de dage­lijkse praktijk van de tuinders natuurlijk belangrijke verschillen met zich mee. Tegelijkertijd geldt echter dat hierachter meer fundamentele keuzen schuilgaan, keuzen die samenhangen met de wijze waarop de betrokken tuinders hun bedrijf willen ontwik­kelen en willen relateren aan de markt en aan de techno­logie. Het onderzoek hebben wij gericht op die meer fundamentele keuzen.
Ten behoeve van deze studie zijn in het voorjaar van 1991 dertig tuinders geïnter­viewd. Daarnaast zijn ook gesprekken gevoerd met deskundigen die de tuinbouwsector goed kennen. Onder deze deskundi­gen bevinden zich verte­genwoordi­gers van de provincie Zuid-Holland, het Ministe­rie van Landbouw, de Dienst Landbouwvoor­lichting, verschillende veilingen, de Hollandse land­bouworganisaties en tuinbouwstudieclubs. Deze laatste gesprekken droegen doorgaans een informeel karakter en waren niet het resultaat van een officiële medewerking aan het onderzoek.
Bij de selectie van de te interviewen tuinders hebben we verschillende wegen gevolgd. Aan diverse kenners van de glastuinbouw en aan tuinders zelf hebben we gevraagd wie wij konden benaderen. Ook via vakbla­den konden we enkele namen selecteren. We hebben bewust via verschil­lende ingangen namen en adressen gevraagd om het risico te vermij­den dat we een te eenzijdig samengestelde groep tuinders zouden intervie­wen. Uit de aanzien­lijke hoeveel­heid namen en adressen die we op deze wijze verzamel­den, hebben we vervolgens dertig tuinders geselecteerd. We hebben ernaar gestreefd een redelijke verdeling te krijgen tussen groenten, bloemen en potplanten en tussen bedrijven in het Westland en de Kring, Zuid-Holland noord en Zuid-Holland zuid. Voorts hebben we ernaar gestreefd een verdeling te krijgen tussen groot en klein, modern en ouderwets, gespecialiseerd en gemengd. Het zal duidelijk zijn dat representa­tief onderzoek met een groep van slechts dertig tuinders een onmogelijkheid is, temeer omdat we ook gezocht hebben naar tuinders die zich op een of ander manier onder­scheiden. Niette­min menen wij dat de geïnterviewde tuinders een redelijk beeld geven van verscheidenheid van de Zuidhol­landse glastuinbouw. Voor een nauwkeuriger beschrij­ving van de groep geïnterviewde tuinders verwijzen we naar een tabel daarover in hoofd­stuk 2. De medewerking van tuinders aan het onderzoek is groot geweest. Alle tuinders die wij benaderden bleken bereid tot een gesprek.
De interviews hadden een open karakter. We werkten niet met een vaste vragenlijst. Wel werd in alle interviews een aantal thema's aan de orde gesteld. Welke thema's dat zijn, zal ook in de tekst duidelijk worden. Het zijn thema's als bedrijfsontwikkeling, investe­ringsbe­leid, gewassenkeu­ze, de vraag hoe de produktie gemaximaliseerd of geoptima­liseerd kan worden, in hoeverre een tuinder zich moet oriënteren op de markt en wat kenmerkende verschillen zijn tussen het eigen bedrijf en dat van anderen. Door het open karakter van de vraagstelling kwam het ene thema bij één tuinder meer uit de verf, het andere thema meer bij een andere tuinder. Die verschillen zijn vaak kenmer­kend en daarop komen we nog uitgebreid terug.
Deze studie moet -zoals de ondertitel al vermeldt- uitdrukkelijk worden beschouwd als een verkenning. Zij heeft een aantal beperkingen. In de eerste plaats ontbreekt een statistische onderbouwing van de studie. Deze zou het inzicht in de hier beschreven stijlen kunnen verdiepen en zou wellicht ook andere stijlen waarvan we het bestaan vermoeden, scherper naar voren brengen. Thans hebben we daarvoor onvoldoende gegevens.
In de tweede plaats ontbreekt een gedetailleerde onderbouwing met behulp van bedrijfseconomische gegevens. Weliswaar komen de opinies van de tuinders omtrent economische kwesties duidelijk naar voren maar het blijft van belang om de woorden en de dingen aan elkaar te toetsen.
In de derde plaats kan een onderbouwing van het onderzoek met nauwkeuri­ger gegevens omtrent emissieniveaus van bestrijdingsmiddelen en nutriënten nuttig zijn. Zeker nu de uiteenlopende wegen om te komen tot een verlaging van de milieudruk ter discussie staan, zou dit een vruchtbare aanvulling vormen.
De eerste versie van dit verslag is zorgvuldig bekeken en beoordeeld door een tiental deskundigen uit de tuinbouwsector en ook door een tiental tuinders. We hebben uitgebreid commentaar gekregen: soms instemmend, soms kritisch. Voorzover mogelijk hebben we commentaren in de tekst verwerkt. Het belangrijkste van de controle-ronde was evenwel dat deze ons duidelijk maakte dat dit onderzoek hout snijdt: het gaat om zaken die ter discussie staan, waarover felle debatten worden gevoerd. Sommigen achten de ziens­wijze die in dit rapport ontvouwd wordt een goede aanleiding om nieuwe beleidsop­ties te doordenken. Anderen betwisten niet zozeer de feiten die hier worden aangedragen, doch achten de achterliggende zienswijze onjuist, zo niet misleidend.
De reacties zijn voor ons aanleiding om over te gaan tot publikatie van dit rapport, ook al zijn er bovengenoemde beperkingen en is de discussie nog niet afgerond. Een discussie over bedrijfs­stijlen in de glastuinbouw lijkt interessant genoeg om te worden voortgezet en we hopen dat het onderzoek niet zal stoppen met deze publikatie.

Om de opbouw van het onderzoeksverslag te verduidelijken zullen we hier nog kort een overzicht geven van de inhoud van de volgende hoofdstukken.
In de glastuinbouw is een aanzienlijke variatie te onderkennen, samenhan­gend met de wijze waarop de 'kas als produktieplaats' gerelateerd wordt aan markt en technologie. Tuinders nemen uiteenlopende posities in ten aanzien van markten en ten aanzien van het technologie-aanbod. Het innemen van posities is geen kwestie van toeval. Er is een samenhang in opvattingen en werkme­thoden van tuinders. Deze samenhang bespreken we vanuit het concept be­drijfs­stijl. Daaronder verstaan we het geheel van onderling samen­hangende ideeën omtrent de wijze waarop de kas als produk­tieplaats moet worden georga­ni­seerd en verder moet worden ontwikkeld. Werken met het begrip be­drijfsstij­len is een poging de ver­scheiden­heid in de glastuinbouw te onderken­nen en te begrij­pen. We stellen vast dat er in de glastuin­bouw verschillen­de be­drijfsstijlen bestaan met ieder een eigen logica. Iedere bedrijfs­stijl heeft sterke en zwakke punten en is in principe levensvatbaar, mits het bedrijf goed georganiseerd is. In dit onderzoek onder­scheiden wij achtereen­vol­gens toppers, 'echte' tuinders en midden­moters.
In hoofdstuk twee geven we een nadere beschrijving van de verschillende groepen tuinders, van de hoofdkenmerken van de verschillende bedrijfsstijlen. We geven de voornaamste criteria op basis waarvan wij tot de door ons gekozen indeling zijn gekomen. In hoofdstuk drie en vier worden deze criteria vervol­gens nauwkeu­riger beschreven: in hoofdstuk drie de posities die tuinders innemen ten aanzien van de technologie die zij op het bedrijf toepas­sen en in hoofdstuk vier de posities die zij innemen ten opzichte van markten, zowel markten voor het aantrekken van produktiefactoren als markten voor de afzet van het eigen produkt.
Daarna behandelen we kwesties die ons inziens béter te begrijpen zijn als ze geplaatst worden in een bedrijfsstijlen-perspec­tief. In hoofdstuk vijf is dat het spanningsveld tussen teelt in de grond en substraat­teelt, in hoofdstuk zes de methoden van gewasbescherming in de verschillende be­drijfs­stijlen en tenslot­te in hoofdstuk zeven de interac­tie tussen beleid en glastuinbouw.